February 6, 2012, Monday, 36

De stenen spreken

Van SIFA

Ga naar: navigatie, zoek

Van en door; JOHAN (DUM) FREDRIKSZ



Afbeelding:Dum_Fredriksz.jpg

VOOR VELEN DUURDE DE BEVRIJDING BIJNA EEN JAAR

“De stenen Spreken” (Djoyoboyo)

Het was even na twaalven in de nacht van 16 op 17 augustus 1945, dat het gerucht “uit betrouwbare bronnen”, dat Japan “gevallen” was, tot leven kwam! Op dat moment werkte ik - met nog een aantal anderen - in de bakkerij van ons internerings­kamp, het 4e en 5e bataljon in Tjimahi. Met z'n zessen ston­den wij daar aan de trog - een grote, meter ronde gietijzeren wadjan - het deeg te kneden voor de maïsbroden bestemd voor de “lunch” van de volgende dag. Ieders aandeel van de kampbe­woners was één tiende brood en de praktijk had uitgewezen, dat de “kontjes” het meest gunstige waren omdat het meetlat je voor de verdeling gebaseerd was op de onderkant van het trapezium­vormige brood. Duidelijk was dus dat de verdeel-corveeërs en hun vriendjes uiteindelijk de iets grotere tienden broodjes in de wacht sleepten!!!

Dat Japan gevallen was (van capitulatie hadden we nog nooit gehoord) drong in die nacht nog niet helemaal tot ons door. Wij waren namelijk al jaren aan het lijntje gehouden door het “beroemde en bekende” oud-Javaans boek, “De stenen spreken”, waarin volgens “ingewijden”, en dat waren er velen, (vrij vertaald) vermeld stond, dat “de overheersing van het gele ras over het bruine” een periode zou duren van zaaien tot oogsten van de maïsplant (4 maanden) - “umur nja jagong” (= leeftijd van maïs). Toen wij na vier maanden nog “vastzaten”, werden steeds weer leeftijden van andere gewassen erbij gesleept, totdat ten einde raad - om het houvast aan “De stenen Spreken” niet te verliezen - aangenomen werd dat de “leeftijd van de bamboe” (40 jaar) daarin bedoeld werd! Vandaar onze - in elk geval mijn - sceptische benadering van het gerucht!

Het Gerucht
De daarop volgende dagen na die bewuste nacht, begon het gerucht hoe langer hoe sterker te leven en werd zelfs aange­sterkt door een ander gerucht, dat de Pemoeda’s (Indonesische jongeren leger) in opstand waren gekomen tegen de Jappen! Als dit laatste inderdaad zo zou zijn, dan moest het eerste gerucht ook wel waar zijn, omdat anders die ongewapende Pemoe­da’s nooit het lef gehad zouden hebben, tegen de gewapende Jappen in opstand te komen!

Na subtiel provoceren van de Japanse bewakers (door bijvoor­beeld niet te buigen als ze langs kwamen, en/of bij de poort naar buiten te gluren) bleek al gauw, dat HET GERUCHT waarheid was! Toen na twee dagen alle buitencorveeën werden gestopt en onze kamp- commandant (ik meen Jhr. De Villeneuve) ons in een toespraak bevestigde dat Japan inderdaad had gecapitu­leerd, was vanzelfsprekend “het hek voor de helft van de dam”. Wij moesten nog wel “binnen blijven”, kregen nog wel hetzelf­de rantsoen eten, maar moesten verder afwachten tot het Rode Kruis en/of ons KNIL of Nederlandse leger ons zouden komen bevrijden!

“Srobotten”
Dit duurde ons - net “volwassen” geworden jongeren van 21 jaar - natuurlijk veel te lang en besloot ik met Jippie, een vriendje, samen het kamp te “srobotten (ontvluchten) om met “verlof” naar Bandung te gaan, waar wij beiden nog familie hadden wonen van vóór de oorlog. De afstand Tjimahi - Bandung legden we lopend en liftend (met een, grobak, of verdwaalde vrachtauto) af in een uur of acht en toen ik mijn schoonzuster nog in haar oude huis op de Dagoweg die avond had gevonden, verlustigde ik mij voor het eerst na bijna 4 jaar aan nasi goreng met tjeplok! Maar ... na een paar dagen ontmoette ik in de stad, op de Braga, Jippie weer met andere jongens (van 21+) - er waren inmiddels meerdere kampbewoners gesrobot - die vertelden, dat in Tjimahi, Rode Kruispakketten waren/werden uitgedeeld. De inhoud van die pakketten leek ons dermate interessant, dat het plan gauw gemaakt was, dat Jippie en ik direct terug zouden gaan naar het kamp om ons aandeel Rode Kruis pakket op te eisen. Aldus gedaan, op dezelfde wijze als de heenweg, met dien verstande, dat wij over een groot traject een lift kregen in een vrachtwagen die groenten moest halen van een groente­kweker bij Tjimindi, 5 km vóór Tjimahi (waar wij overigens nog wel eens op corvee moesten). Binnen een week was ik dus weer terug in bak 1 - Barak III, waar ik mijn broer Ted - 12 jaar ouder, die al die jaren “toezicht” op mij had gehouden - de wederwaardigheden van mijn escapade kon opbiechten en de groeten van onze schoonzuster Jopie kon overbrengen. Ted, op zijn beurt, vertelde mij wat er zoal in het kamp was voorge­vallen en gaf mij mijn Rode Kruis pakket die hij voor en namens mij in ontvangst had genomen! Zoals een goede broeder­hoeder betaamt, ongeopend!!!

Op zoek naar de oudjes.
De inhoud van het pakket (o.a. blikje corned beef), het leven en eten in het kamp vielen mij zwaar tegen gezien de verse sambal gorengs en de vrijheid, die ik toen in Bandung kortstondig had ervaren. Vandaar dat bij mij de gedachte opkwam, om weer het kamp te srobotten, maar deze keer voorgoed, om in Malang “de Oudjes” te zoeken en bij hen de “bevrijding” af te wachten. Uiteraard niet wetende of en zo ja, waar Pa en Maatje leefden en belang­rijker, niet wetende dat inmiddels de strijd van de Indonesiërs voor onafhankelijkheid op gang was gekomen! Ondanks de oppositie van Ted - ik was tenslotte volwassen - besloten Paultje, Kolak (= een nagerecht van ketella pohon, gekookt in santen met goela djawa; die jongen heette notabene Kolman!) en ik, om gedrieën de gok te wagen, onze ouders die wij allemaal in het Malangse hadden achtergelaten, aldaar op te speuren! Na enige planning, gebaseerd op door de schutting verkregen informatie, vertrokken wij omstreeks eind augustus, vol goede moed onder het motto: het geluk is met de domme, op weg naar Malang (500 - 600 km). Het begin van onze reis was nogal chao­tisch. Eerst srobot, dit keer door een andere “uitgang” (een WC-raampje in een voormalige officierswoning), toen op zoek naar het station, dat we na veel omwegen (i.v.m. Jappen, waar we toch nog een beetje bang voor waren) uiteindelijk vonden; bleek dat die dag geen treinen meer oostwaarts gingen, wel de volgende ochtend een goederentrein, eten zoeken, c.q. bede­len/stelen en onderdak vinden in de open lucht. Maar, de volgende ochtend was alles weer vergeten en doken wij met z’n drieën in een goederenwagon en konden wij - na op elk station te controleren of die trein nog steeds richting oost ging ­helemaal aan boord te blijven tot Djokja, waar we moesten overnachten, omdat de trein domweg niet verder ging! Wie schetste onze verbazing, toen bleek dat vlak buiten het stati­on een Kruis post was, die ons na een uitgebreid “verhoor” of interview, welwillend opving en ons voor de nacht (plus eten natuurlijk) onderbracht in ... een soort “vergane glorie­hotel”, met kamers met heuse bedden en lakens!!! Ons geluk kon niet op, leve het Rode Kruis!!!

Die nacht van dikke buiken en veel lol, sterkte onze moraal, vooral ook omdat wij van het Rode Kruis nog een “vrijgeleide” kregen om de volgende ochtend per trein naar Soerabaja te kunnen, hoe, dat moesten we zelf maar uitzoeken! De volgende ochtend vertrokken wij, na nog een ontbijt (en de lakens van de bedden te hebben meegepikt) met een passagiers­trein waar we alleen in de bagagewagon mee konden, naar Soera­baja. Dag Djokja! Opmerkelijke herinneringen aan Djokja: geen of weinig Jappen, dito pemoeda’s en nergens gebrek aan eten!

De reis op en tussen de bagage verliep uitstekend, alleen duurde het enorm lang vanwege de vele tussenstoppen onderweg. Enerzijds waren die onderbrekingen wel prettig omdat we dan wat konden eten of drinken - we hadden van het Rode Kruis in Djokja nog een zakcentje gehad, hoeveel weet ik niet meer ­maar aan de andere kant toch ook weer beangstigend omdat we moesten uitkijken naar wellicht een verdwaalde (kwaaie) Jap of een (fanatieke) Pemoeda. Alhoewel, die laatste was niet zo belangrijk, immers, die leek op ons zelf en wij hadden deels zijn “bloed door onze anderen vloeien”! Ik meen, dat we die avond ca. 8.00 uur (we waren ca. 6.00 in de ochtend vertrok­ken!) in Soerabaja aankwamen.

Nostalgie
“Suro-ing-buoyo”( waaruit Soerabaja is afgeleid, betekenis: haai en krokodil, het stadswapen), mijn geboorteplaats, vol zoete herinneringen aan mijn 17 jaar verblijf, tot in 1941 die vervloekte oorlog een abrupt einde maakte aan mijn zorgeloze jongensbestaan en van mij een (voorlopige) vaste internerings­kamp bewoner maakte! Hoe zoet waren die herinneringen aan mijn eerste lagere schooljaren toen baboe Djah mij dagelijks “s morgens naar school bracht, me ‘s middags haalde, na het verplichte middag­slaapje verraste met roedjak, lemper, ketan-itam of meer van die goddelijkheden. En aan die korte (drie jaar - 5e, 6e en 7e klas lagere school) onderbreking dat ik met de oudjes verhuis­de naar Singosari en toen in Lawang naar school ging en daarna die heerlijke jaren op de Koningin Emma School - Middelbare Technische School - de KES in Surabaya, waar ik vanaf mijn 12,5 tot 17,5 jaar pas echt begon te leven!!! Een tijd, waarin je met een zakgeld van fl. 2,50 kans zag om elke zater­dag met vrienden es kopi, bami- of nasi goreng, tjendol en een bioscoopje te pikken! Dat komt nooit weer, maar dat wist ik niet!

De Bersiap begonnen
Begrijpelijk dus, dat ik -of beter gezegd wij, want Paul en Kolak hadden natuurlijk soortgelijke herinneringen- hoopvol in Soerabaja na 14 uur reizen vanuit Djokja aankwamen. Eerst leek station Kota nog onveranderd: dezelfde rotzooi, kolen­gruis en -stank en ... mensen, mensen, mensen, die blijkbaar allemaal wat te roepen hadden! Maar toen zagen wij ineens het ons welbekende Rode Kruis, waar wij natuurlijk zo snel moge­lijk probeerden binnen te dringen. De post was bemand - overi­gens net als in Djokja - door overwegend Indo’s en Javanen, en hier ook een aantal Ambonezen. De eerste informatie die we kregen was niet zo gunstig. Oost-Java, specifiek Surabaya en omgeving (tot Madioen) was nl. de “stronghold” van het inmid­dels gevormde Nationale Indonesische leger (Tentara Nasional Indonesia - TNI) en bijeengeraapte, fanatieke Pemoeda’s, die het voorzien hadden op “vreemde oosterlingen” (o.a. Chinezen en Arabieren - voor geld - en ook Jappen - voor hun wapens) en gevluchte geïnterneerden, uiteindelijk toch niet hun soort, immers, dat waren Indo's, Nederlanders, Duitsers, Engelsen, etc. Kortom, de "Bersiap” was begonnen!!! Het Rode Kruis kon ons dus niet anders onderbrengen dan bij een Amboneze familie in de Amboneze wijk, waar in Soerabaja weet ik niet meer. Ambonezen waren altijd “trouw gebleven aan de kroon” zei men en hadden een eigen wacht- en bewakings­ploeg, vandaar dat zij ons bij hen het veiligst konden opvan­gen! Wij werden dan ook door een Ambonees gebracht naar een familie waar we met z”n drieën voorlopig logies en voeding konden krijgen! Van de samenstelling van de familie en het verblijf kan ik me niet veel meer herinneren, behalve dat er geen (huwbare) meisjes waren in dat gezin en het eten toch in overvloed beschikbaar was! Inmiddels waren Paul, Kolak en ik al drie dagen onderweg en gezien de situatie, was het dus zaak om zo snel mogelijk onze speurtocht naar onze ouders/familie voort te zetten. Kolak moest ergens in Sidoardjo of Pasoeruan zijn, waar hij zijn ouders had achtergelaten, Paul in Malang en ik in Singosarie (12 km vóór Malang, waar de oudjes woonden, toen ik opgepakt werd. (N.B. onder het mom van registratie = pendaftaran). Wij besloten dus onze wegen te scheiden: Paul en ik naar Malang en Kolak naar Pasoeroean. Overigens zag ik Kolak later, ik meen in 1950 nog ergens in Den Haag lopen, heb naar hem gezwaaid, maar ik kon hem helaas niet meer spreken omdat de tram door­reed!

Speuren naar de oudjes
Na twee overnachtingen vertrokken Paul en ik met de trein naar Malang, zonder enige problemen in ca. 3 uur!!! Hoe kon het ook anders, want iedereen, inclusief de loslopende Pemoeda’s, zag aan die twee “katjongs”, niet dat ze van een ander ras waren! Toen wij in Malang aankwamen, was onze eerste gang - volgens afspraak vooraf naar de Chinese wijk Petjinan bij de Pasar ... (?). Ik herinnerde mij nl. dat mijn vader, een aimabele, grote, dikke kaalhoofdige man met bril, de Chinese winkeltjes en restaurantjes vroeger regelmatig bezocht, om daar zijn zelfgemaakt figuurzaagwerk te laten verhandelen of te ruilen tegen iets waar hij zelf behoefte aan had of een portie bami goreng met pangsit! De bedoeling was, daar informatie te krijgen, waar eventueel mijn ouders zouden wonen, of wellicht nog in ons huis in Singosarie zouden zijn. Paul zou me daarbij helpen en met me mee gaan op zoektocht. Ik meen dat hij gezegd had dat hij op niet zo”n goede voet leefde met zijn vader (hij had geen moeder meer) en dat hij daarom wat terughoudend was, om zijn vader te zoeken, c.q. te vinden. Enfin, in de eerste bezochte Chinese winkeltjes vingen we bot, maar in de derde of vierde was het raak!!! “Ja, die meneel Fledlik” kende hij nog wel goed en die kwam zelfs nog geregeld bij hem aan om te “omong omong” (babbelen). En ja, waar woonde die ook weer, ...? “ik eloof in Ollo-Ollo ­Dowo!” Hier in Malang notabene, in Oro-Oro-Dowo, hoe bestaat het! Wij blij en meteen op stap, lopend uiteraard, want een betjak kostte geld en elke cent was er één. Stel je voor, dat het een verkeerd adres was, hadden we voor niets centjes uitgegeven. In Oro-Oro-Dowo, een stijgende weg van ca. 1,5 km lang met huizen en toko’s aan beide kanten, was het natuurlijk weer vragen geblazen. Om de 3 of 4 toko’s (je kon niet weten, want Pa had zo zijn voorkeuren voor winkeltjes en eethuisjes) steeds dezelfde vraag, maar nee hoor, ze hadden die grote, dikke gemillimeterde man met bril wel eens zien lopen of in een dogkar zien zitten, maar waar die woonde, dat wisten ze niet! Eindelijk was het zover. Een toko, die kende niet alleen Pa, maar ook Maatje en nog meer vrouwen en die woonde schuin tegenover, wel 100 meter schuin naar boven, in een huis met nog meer mensen! Voor Paul en mij deerde dat klimmend lopen niet meer en ja hoor ... ze waren er allemaal: Pa, Maatje, drie zusters van mij: Elly met dochter Puck, inmiddels ca. 16 jaar oud, Guuste met Vonne (ca. 8 jaar) en Joke, de jongste van de zusters. Na 3 jaar en 9 maanden gedwongen afwezigheid en 5 dagen reizen en speuren, vond ik ze terug, de oudjes plus nog de zusters waarvan ik niet kon vermoeden dat die er ook zouden zijn, want vóór de oorlog woonde Guuste in Soerabaja en Joke in Batavia. Die waren, zoals bleek, in het begin toen reizen noq mogelijk was. Toen Maatje mij van top tot teen had bewonderd, ik was na­tuurlijk wat langer en magerder geworden,vroeg ze me: "Waar is Ted???" "Oh," zei ik, "die is nog in Tjimahi gebleven, want die dorst de lange reis niet aan, maar die is nu net zo dik als ik!" Later, veel later, moest ik toegeven, dat hij wijzer was geweest, want hij zat luttele weken daarna alweer vrij en blij in Batavia!!! Natuurlijk werden Paul en ik direct bijgevoed en verwend. Alle eetwensen werden vervuld en alles was nog verkrijgbaar en te koop. Hoe zij dat voor mekaar kregen, wist ik niet en daar heb ik mij eerlijk gezegd ook niet druk om gemaakt. Enkele dagen later, besloot Pa, dat hij met Maatje en mij, maar eens terug moest gaan naar ons oude huis in Singosarie, die zij alweer jaren geleden (wanneer?) hadden verlaten om bij Elly in te trekken. Guuste en Joke (en ook Paultje, want die maakte geen haast om z’n vader te zoeken) zouden dan bij Elly en Puck blijven! Schamele spullen werden ingepakt en met een opelette (een soort mini-mini busje) keerden wij dus weer “huiswaarts”. Pa was al eerder terug geweest, had daar nog steeds een ouwe getrouwe die op het huis paste, was nog steeds in contact met onze oude bedienden, dus toen wij daar gedrieën aankwamen, was het weerzien van de oudjes met hun trouwe dienaren nogal emotioneel! Hoe waardevol deze mensen waren, bleek al vrij spoedig!

De boycot-periode
Inmiddels was door het nieuwe Indonesische Regime verordonneerd dat het volk alle ongewenste vreemdelingen (dus niet-Indonesiërs) diende te “boycotten”! Dat hield in, dat aan die vreemdelingen niet meer mocht worden verkocht en ook nog geen diensten mocht worden verleend. Het betekende dat wij op de pasar of in de toko, niets meer konden kopen, wij geen bedien­den meer konden hebben en zelfs niet meer in een dogkar, bus, trein of opelette konden rijden. Aarzelend kwam deze verorde­ning op gang en werd hoe langer hoe sterker voor ons merkbaar. Lichten onze “langanans” (leveranciers) in het begin nog wel eens de hand met de verordening, later werden zij, door het toezicht van de Pemoeda’s, toch wel benauwd om ons van dienst te zijn! Toen bleek hoe trouw onze bedienden waren. Elke ochtend, vóór dag en dauw, deed de kokkie de inkopen voor ons dagelijks eten op de pasar en bracht ze die stiekem, via de sawa’s”, bij ons achter, waar ze met Maatje besprak wat ze voor de volgende ochtend weer mee zou brengen! Op dezelfde manier, haalde “s morgens de baboe tjoetjie ons wasgoed, om dat bij haar thuis in de kali te doen en ‘s avonds na donker weer terug te brengen! Hoe dat met de betaling was geregeld is mij nog steeds een raadsel, maar het werkte wel!

Mijn tweede internering
Nauwelijks 2 weken nadat mijn ouders en ik in Singosarie waren teruggekeerd, kregen we bezoek van ... twee Pemoeda’s!!! Wij, en vooral Maatje, schrokken ons dood en dachten gelijk dat het te maken had met de boycotovertredingen die onze kokkie en baboe tjoetjie voor ons begaan hadden en dat het hen “de kop zou kosten”. We waren natuurlijk direct bereid, om e.e.a. fel te ontkennen en/of desnoods die Pemoeda’s om te kopen. Maar nee, daar kwamen ze niet voor. Of de tuan besar en de tuan muda (nog vol respect logisch, want wij waren zeker anderhalf maal zo groot als die twee lui) met hen mee wilden komen voor “registratie”! Door de nare smaak die wij aan het woord registratie hadden overgehouden sinds de vorige (van Teà en mij, bijna vier jaar geleden bij de Jappen) begrepen wij direct dat het mis was! "Zo," zei grote, dikke Pa aan kleine magere Pemoeda, “willen jullie dat? Dan moeten jullie toch wel even wachten, want wij moeten eerst nog eten, dan baden en verkleden (wij liepen thuis nl. altijd rond in een huisbroek en soort pyjamajasje), dus kom over een paar uur nog maar es terug"! Nou, of ze dan liever mochten wachten tot we klaar waren. Vond Pa wel goed, konden ze wel onder die Japanse kersenboom voor, in de schaduw zitten. Enfin, we beseften dat er toch niet aan te ontkomen was en na nog enkele dingen met Maatje te hebben afgesproken, liepen de grote kerels met de kleintjes mee naar ... een internerings­kamp. Dit met prikkeldraad omheind kamp, bleek het oude huis te zijn van, ik dacht meneer Van der Lee, in Soemberwaras, de weg naar de Bhoeda tempel en de twee beelden verderop, waar ik als kind wel eens speelde. Het kamp werd uiteindelijk bevolkt door ca. 17 mannen, overwegend ouderen, die in 1941 al gepensio­neerd waren en onder de Jappen niet waren geïnterneerd en enkele jongeren van een jaar of 15/16, die dus toen ook niet ­althans in Singosarie en omgeving - door de Jappen waren “knijp gezet”.

In het begin bracht Maatje ons nog extra eten (lekkere bijvoe­ding) maar toen ze na enkele dagen niet meer kwam opdagen, begrepen wij via de 'kabar-anging' (berichten door de wind gedragen) van onze lokale omheiningcontacten, dat zij ook ergens (7) was ondergebracht. Het leven kabbelde in die perio­de rustig voort, behalve een enkele maal een afstraffing door de Pemoeda's wegens het stelen van een ketella-pohon (cassa­ve) uit de aanplant van een tani buiten de omheining en het smokkelen, c.q. ruilen van bezittingen tegen etenswaren, met de lokale kampongbewoners, door de omheining! Deze activitei­ten gebeurden uiteraard altijd 's nachts!!! Na ongeveer negen maanden (ca. juni 1946) kwam er een onver­wachts einde aan onze (Pa's eerste, mijn tweede) internering! Het bleek namelijk dat gelijk met ons, in Malang alle (niet-Indonesische) vrouwen waren opgepakt en in de bergenbuurt Merapistraat, Smeroestraat, etc. - waren geïnterneerd, het toengeheten vrouwenkamp. Mijn zuster Elly werd daar aangesteld als hoofd van dit vrou­wenkamp van ca. 500 vrouwen, die daar in groepjes van zes in die huizen in de wijk werden ondergebracht. Zo zat Elly daar in een huis met haar dochter Puck, mijn zuster Joke en een tante en nicht van ons, die in die tijd vlak bij Malang woon­den.Waarom, is mij niet bekend, maar op een (zéér) goede dag, werd door de bevoegde instanties besloten, dit vrouwenkamp op te doeken en de geïnterneerden te evacueren naar vrij gebied i.c. Semarang. Hoe, is mij ook onbekend, maar Elly kreeg het door haar (Indonesische) relaties en contacten als kamphoofd gedaan, dat Pa en ik, en Maatje deel mochten uitmaken van haar vrouwenkamp om ook mee te worden geëvacueerd! En regelde zij met die relaties, dat Pa en ik en ook Maatje werden opgehaald uit hun respectievelijke kampen en naar 'haar' vrouwenkamp werden gebracht!!!

Mijn cyma
Volkomen onverwacht - wij wisten van dit voorgaande natuurlijk niets af - werden Pa en ik op nog zo'n zeer goede dag, door twee Pemoeda's in Singosarie opgehaald en naar Malang gereden en bij het vrouwenkamp afgeleverd. Stomverbaasd werden wij bij de poort opgevangen door Elly, die ons - na een emotioneel welkom - ook nog het verblijdende nieuws bracht, dat Maatje elk ogenblik kon aankomen, op dezelfde wijze als wij daar waren gekomen! Wij werden door haar ingekwartierd in haar huis waardoor tante en nicht elders moesten intrekken - en werd de ontmoeting met Joke en Puck uiteraard niet minder emotio­neel. Na een hoop bijpraten en bij-eten (Elly kon alles ver­sieren!), kwam inderdaad Maatje! Huilend van geluk bij het terugzien van Pa, de zussen en vooral haar jongste zoon, vertelden zij van haar nare ervaringen in haar internerings­kamp! "Maar, zei zij tegen mij, ik heb jouw horloge nog! Die heb ik niet geruild (tegen eten!) en ik heb het me niet laten afpakken!!!" Toen herinnerde ik het mij ineens. Viereneenhalf jaar geleden, toen ik 17 jaar werd, kreeg ik van haar mijn eerste echte, goede horloge, een CYMA en toen ik enkele maan­den daarna 'het kamp in moest', gaf ik haar, compleet in doosje, mijn Cyma en vroeg haar dit goed voor me te bewaren. In die korte periode van ca. 14 dagen, dat wij bij elkaar waren in Singosarie, hebben zij, noch ik nog aan dit horloge gedacht. Gelukkig maar, want als ik het toen van haar had teruggekregen, had ik het intussen beslist 'opgegeten'. En nu had ik het dan weer! Ik heb mijn Cyma nog steeds .. het loopt ook nog!!!

Vrouwenkamp
Na alle wederzijdse uitwisseling van ervaringen, begon ik mij de huidige situatie te realiseren. Als enige potentiële man, ­Pa was al 70 jaar (oud voor Indië) - in een vrouwenkamp, voelde ik me bijna als een 'haan in een kippenren', weliswaar onder toezicht van de oudjes en vooral de zussen. Er waren dansavonden bij dezen en gene, op grammofoonmuziek, zo'n pathefoon (?) met grote hoorn, stalen grammofoonnaalden die al bot en versleten waren omdat er geen nieuwe verkrijgbaar waren, 78-toeren platen, die soms wel 100 draaiden, maar ... er kwam muziek uit, alleen het geluid en de maat klopten niet helemaal! En, een ander probleem was: ik kon nog niet dansen, dus werkten Puck en Joke in shifts om mij zo snel mogelijk deze lichaamsbewegingen bij te brengen om mij nog zoveel mogelijk van deze festijnen te kunnen laten genieten voordat wij 'op transport' gingen naar de vrijheid! Machtige dagen waren dat ..., alle meiden tussen de 16 en 26 (en dat waren er veel) vond ik knap, lief en vooral sexy, hoe ze er ook uitza­gen! Maar ja, daar kwam een eind aan, want al te spoedig, ik dacht na een week of zo, gingen wij op transport. En hoe! Wij - Pa, Maatje, Joke en ik gingen met één van de eerste; Elly en Puck zouden de laatste nemen, Elly was immers kamp­hoofd. Die bewuste ochtend van het transport, moesten wij in groepen van 30, bij de poort aantreden en na lang wachten (wij wisten niet precies waar we naar toe gebracht werden, wel de eindbestemming Semarang), kwamen er open vrachtauto 's, waar we per groep in moesten. Hoe? Wel, gewoon erin klimmen! Voor de jongeren geen enkel probleem, maar Pa was wel 70 en Maatje 62 jaar; die hadden er behoorlijk moeite mee, door het ontbre­ken van een trapje of iets dergelijks. Toch lukte het uitein­delijk, maar vroegen wij ons af, hoe lang die rit naar Sema­rang - zo staand of hangend met z'n dertigen in een open vrachtauto - wel zou duren, gezien de afstand van honderden kilometers ... en of dit voor de ouderen uit te houden was! Toen we eenmaal op weg waren, begonnen wij nog meer te twijfelen aan de eindbestemming, want het transport - 3 of 4 vrachtauto's achter elkaar - bleek de zgn. zuidroute te vol­gen, d.w.z. Malang, over de bergen, naar Solo en Djokja, langs een 1001-bochtige weg! Enfin, er was verder niets aan te doen en waren wij toch overgeleverd aan de goedertierenheid van de chauffeur en dienst opdrachtgevers! Toen had ik heimwee ... naar het vrouwenkamp ... en die dans­festijnen ... en die meiden, allemaal!!!

Bijna bevrijd
De rit in die vrachtauto duurde in ons gevoel oneindig. Na een paar uur slingeren in de brandende zon, waren we bekaf. Ergens werd nog gestopt, waar we wat te drinken kregen, maar eten was er niet bij. Langs een aantal dorpen en steden, welke weet ik niet meer, kwamen we op, naar bleek een tussenbestemming ..., het militaire vliegveld van Solo of Djokja, daar zijn we nooit achter gekomen! Van daaruit zouden wij dan per vliegtuig worden overgevlogen naar Semarang. Het toestel, een oude Dakota stond klaar, maar omdat daar maar een beperkt aantal in kon, moest deze Dakota dus enkele keren heen en weer naar Semarang vliegen. Toen wij aan de beurt waren - wij bleven uiteraard krampachtig bij elkaar - stapten wij, met een trapje in de schuin omhoog staande Dakota. Er bleken géén stoelen in te zitten, wel banken langs de kanten. Maar, wat nog vreemder was, er zat ook geen deur in en toen we opstegen en vlogen, stond een beman­ningslid met een riem om zijn middel, naast de open deur om te voorkomen dat er een 'passagier' per ongeluk uit zou waaien! Gelukkig duurde de vlucht niet al te lang en hadden wij alle­maal onze eerste vluchtdoop achter de rug, toen wij veilig en wel in Semarang landden. In Semarang, Pa's geboorteplaats, werden we ontvangen door alweer het Rode Kruis en echte bussen, weliswaar oude, ramme­lige, verveloze exemplaren, maar er zaten wel bankjes in en ze reden! Van het vliegveld werden we in een klein uurtje gereden naar, ik vermoed, een voormalig klooster of iets dergelijks, in elk geval met kantoorruimte en grote (slaap)zalen. Semarang, althans wat we ervan zagen toen we een stuk er doorheen reden, was een verademing! Geen poorten of prikkeldraad omheiningen, geen Jappen noch Pemoeda's en wel hier en daar ongewapende, als militair geklede mannen. Verder druk en vol met Javanen en Indo's, af en toe wat Belanda's. Bijna als 'tempo doeloe', maar net niet helemaal! In het klooster, dat al deels was bevolkt met eerdere gasten, werden wij eerst ingedeeld in kamers, waar we een tikartje als slaapplaats kregen toebedeeld. Uiteraard werden Pa en ik in een andere kamer ingedeeld dan Maatje en Joke, maar omdat er overal vrij kon worden rondgelopen, was dat geen enkel be­zwaar. Tegen een uur of zes kregen eindelijk (n.b. na ongeveer 12 uur 'reizen') eten en gingen we niet veel later letterlijk plat. De oudjes in het bijzonder, zij waren volkomen afge­draaid. Oh ja, toen we in dat klooster kwamen, werden we eerst ontsmet, kleren en lichaam bespoten met DDT of zoiets en mochten we mandiën. Ze dachten zeker dat we onder de luizen zaten. Wij hebben er zelf nooit iets van gemerkt! De volgende ochtend moesten de nieuw aangekomen geïnterneerden - wij dus - ons registreren. Ditmaal echt en door vermoedelijke ex-bevolkings-ambtenaren, die ons het hemd van het lijf vroe­gen. Naam en voornamen, geboortedatum, -plaats, -land, waar je voor de oorlog gewoond had, beroep, schoolopleiding, geloof, etc., etc. en niet alleen van jezelf, maar ook van je ouders; nodig immers, omdat wij allemaal geen enkel persoonsbewijs of -identificatie meer hadden. Feitelijk was dit de kans om jezelf een nieuwe naam te geven, als je bijv. een voortvluch­tige was of je niet gelukkig was met je echte naam (bijv. Duclot i.p.v. De Kloot, o.i.d.). Ik had géén van beide redenen nodig en bovendien waren mijn beide ouders bij me en kon ik hen controleren. Daarom weet ik nu nog hun basispersoonsgegevens. Pa: Alexander, geboren 8 juni 1876 te Semarang (midden Java) Nederlands Indië, en Maatje: Caroline Wilhelmina (Mien), geboren 16 juni 1884 te Soemenep (Madoera), Nederlands Indië. Dit laatste bestond toen nog alleen voor de Nederlanders, voor de autochtone bevolking was dit toen al Indonesia! Na registratie kregen wij een officiële, van stempels en handtekeningen voorziene D.P.-kaart (Displaced Person = letterlijk, Misplaatst Persoon, hier in de betekenis van Persoon met Niks, géén paspoort, géén huis en géén haard, noch geld en met zéér schamele bezittingen, zoals een blouse, korte broek, afgetrapte schoenen, etens­(KLIM-)blikje en een 'staf om te bedelen').



Deze D.P.-kaart werd mijn kostbaarste bezit, omdat ik mij later hiermee kon identificeren voor de school en ook voor mijn repatriatie naar Nederland, waar ik als D.P.-er recht op had!

In dit klooster zijn we toen maar enkele dagen gebleven, want al bij de registratie werd ons de keus gesteld of wij terug wilden naar Soerabaja (dat ook 'vrij' was) of wel naar Bata­via. De oudjes kozen voor Soerabaja, omdat wij inmiddels gehoord hadden, dat mij zuster Guuste kort na de capitulatie van Japan en voordat de Bersiap-tijd op gang was, al naar Soerabaja was vertrokken met haar dochter Vonne en daar inmid­dels dus al negen maanden woonde. Joke en ik kozen voor Bata­via. Joke om haar oude werkkring weer op te nemen en ik om mijn technische school - die naar ik hoorde alleen in Batavia 'open' was - af te maken.

Uiteindelijk vrij.
En toen die 'laatste loodjes' naar de vrijheid! Wij konden zowel naar Batavia als ook naar Soerabaja alleen met een schip worden getransporteerd omdat het wegen- en spoorwegennet buiten de grote steden, in handen was van het TNI (Indonesi­sche leger). Geen probleem met de boot, alleen Semarang had geen haven en moesten de schepen, op de rede - 1 km van de kust, blijven liggen. We moesten dus met een klein bootje (met motor) naar het schip worden gebracht en daar aan boord zien te klimmen. Met Joke en mij ging het goed, in het kleine bootje stappen, 10 minuutjes varen naar het grote schip, dan ... 3 meter brede touwladder ca. 3 meter naar boven klommen, op het open dek een plaatsje vinden onder de canvasoverdekking ter bescherming tegen 'de koperen ploert' en dan maar, met DP-kaart en schame­le bezittingen, afwachten hoe lang de vaart zou duren. Joke en ik konden e.e.a. met kalm weer best wel aan, maar ik hield mijn hart vast voor de oudjes (Pa 70 jaar en Maatje 62), die volgens plan, de volgende dag zouden vertrekken, hopelijk met hetzelfde kalme weer! Maar enfin, het is toch met hen goed gekomen, want maanden later voor mijn vertrekken naar Nederland, heb ik ze nog opge­zocht en niet aan gedacht hen hierover te spreken. Wij hadden toen alleen het afscheid aan het hoofd! De zeereis verliep - naar omstandigheden en de warmte - uit­stekend en bereikten wij Batavia na, ik schat, 6 tot 7 uur varen, waar wij in de haven aangemeerd, eindelijk als mensen van boord konden stappen! Weer werden wij door het Rode Kruis (of was het inmiddels een andere instantie?) opgevangen en ergens (?) voor de nacht en enkele dagen daarna, opgevangen. Onze eerste 'vrije' activiteiten waren uiteraard gericht op: geld zien te krijgen/verdienen (Joke kon terugkomen in haar oude baan), behuizing vinden en het vinden van familie in Batavia. Na ontzettend veel informeren bij diverse instanties vonden wij uiteindelijk twee broers: Carel, die met familie, in afwachting van zijn retour naar de suikerfabriek in Cheribon in Batavia verbleef en Ted, die naar later bleek al ruim acht maanden geleden zijn 'surat lepas' (vrijbrief) in Tjimahi had ontvangen, ook in Batavia woonde en op het punt stond weer uitgezonden te worden naar de oliemaatschappij in Zuid Suma­tra! Beiden hebben wij gelukkig nog geregeld kunnen ontmoeten tijdens ons verblijf in Halte Dierentuinlaan, Batavia!!!

En dus DUURDE MIJN BEVRIJDING AL MET AL BIJNA EEN JAAR, van half auqustus tot defacto half juli 1946!!!