February 6, 2012, Monday, 36

Voor hen die het niet weten

Van SIFA

Ga naar: navigatie, zoek
Afbeelding:Vhdhnw1.png‎



VOOR HEN DIE HET NIET WETEN





Door THEA VAN UDEN-PETER



Uit het gedicht van mijn moeder:


De vele mooie jaren zijn besmet en laten

Geen indruk meer om lang over te praten.

Het zijn de laatste jaren, die je niet vergeet.

En als de schroef van het troepenschip zijn slagen

Begint en ik voor het laatst naar Java’s kusten schou

Zal mij geen weemoed om dit vreemde afscheid plagen,

Maar ach, wel zal een traan misschien mijn blik vervagen,

Omdat ik, arm Indië, toch nog van je hou.



VOOR HEN, DIE HET NIET WETEN



We woonden in Malang. Een mooi huis, alleenstaand, voor- en achterkamer, drie slaapkamers, gudangs (opslagplaatsen), keuken en grote tuin. Tegenover ons de tennisbanen, daarachter de sportvelden en daar weer achter het zwembad. Het was er heerlijk onbekommerd leven met mijn Vader en Moeder en mijn broer. Miepsie en Mopsie waren onze hondjes.


Afbeelding:Vhdhnw2.png

Ik woonde met mijn Vader en Moeder en Henk
aan de Jalan Tenes in Malang (foto 1985)


Maar toen kwamen de Japanners (1942) en ineens was het gedaan met dat prettige leven. Ik zie ze nog komen, de Kawistraat omhoog, kleine kereltjes met kakipakken aan, een pet met zonneflappen achter in hun nek en op fietsjes. Ik spreek in verkleinwoorden, maar zo leek het ook. Ze fietsten netjes achter elkaar.


’s Middags werd er op één van de sportvelden een grote Japanse vlag uitgespreid. Dat was voor de vliegtuigen, die overkwamen, zodat ze wisten “hier zijn we al”.


In het begin gebeurde er niet zoveel, maar na een maand of twee werden alle scholen gesloten er mocht niet meer geleerd worden. Ik kreeg nog een paar maanden les van twee zusjes, totdat ze opgepakt werden door de Kempetai, toen was ook dat afgelopen. Gelukkig dat ze de volgende dag weer werden vrijgelaten; lesgeven was echter afgelopen. Maar ik heb wel een briefje gekregen, waarin werd vermeld, dat ik de lagere school met succes had doorlopen. Later heb ik daar veel plezier van gehad.


Het zwembad, waar we heel veel kwamen, werd nu ook bezocht door de Japanners. Ze hadden geen zwembroek aan, maar een soort kussensloop, het leek op ouderwets maandverband. Smakelijk was het niet om te zien


In de eerste gudang woonde een oom van mij, een broer van mijn Vader (Jan). Hij had een radio en wist alle nieuwtjes uit Holland te vertellen. Het was wel levensgevaarlijk. Als ze je snapten, ging je naar de Kempetai en daar was het niet best. Op zekere dag stond er opeens een open vrachtwagen voor de deur en die kwam mijn Vader ophalen. Zo maar. Ik meen, dat het 10 juni 1942 was. Misschien was het van te voren wel bekend gemaakt, maar voor mij als kind van elf jaar was het heel plotseling. Weg Vader! Het bleek, dat hij naar Kesilir was gebracht, een mannenkamp. Mijn Moeder is met drie andere dames wel vier of vijf keer daar heen geweest om hem op te zoeken. Mijn broer en ik zijn er zelf ook een keer geweest.


En toen moesten wij zelf “de wijk” in. De wijk was een stuk van Malang, dat afgezet was met gedek en prikkeldraad. Er was een pasar binnen de afzetting waar je nog boodschappen kon doen en gelukkig vond mijn Moeder daar een Chinees, die onze hondjes wel wilde meenemen. We mochten ze niet langer houden. Gelukkig was het zeker, want later hoorde ik, dat de honden in de kampen allemaal zijn opgehangen en op gruwelijke wijze zijn vermoord. Omdat we in het begin nog buiten de afzetting mochten, zijn we onze Mieps en Mops gaan opzoeken bij die Chinees. Ze hadden het er heel goed, dat zagen we wel. Ze liepen vrolijk rond achter het huis bij de bijgebouwen.


Henk en oom Jan moesten de wijk uit en gingen naar het marinekampement. Dat was niet zover weg en Anneke (Reikee) en ik fietsten daar wel heen om ze op te zoeken. Onderweg was een wachthuisje met Japanners en daar leerden we buigen: van de fiets af en diep buigen.


Ik wil nog even over de wijk praten. Wij “woonden” in de Boeringweg 17 (Nu Jalan Buring). Naast ons huis was een pleintje. Daar speelden we met een stel uit de buurt. Een aflopend muurtje naast dat pleintje van ons huis, was de favoriete zitplek van Anneke en mijzelf. Daar konden we alles en iedereen in de gaten houden. In het huis zaten we met zes families. In het begin kwam onze eigen kokkie nog voor ons koken, maar toen de wijk dicht ging, kon dat niet meer. De vrouwen kookten toen zelf. Het vieste wat ik toen moest eten was bayam met rijst. Voor in de tuin stond een flamboyant; daar kon ik razend snel inklimmen als mijn Moeder wel eens kwaad op me was. Ze heeft wel eens tien minuten onder de boom gestaan om me er uit te roepen en ik bleef dus mooi zitten, tot de boze bui over was. Twee keer heb ik difteritis gehad met hoge koortsen en een heel pijnlijke keel. Wanneer iemand dat kreeg moest iedereen in dat huis gedurende veertien dagen in quarantaine. In mijn geval moest dat dus twee keer gebeuren.


Wat we mee mochten nemen toen we naar de wijk moesten “verhuizen” was niet veel: de matrassen en twee koffers met wat……ja wat? Als je een compleet huis met alles er op en eraan plus een auto en voorraden, kleedjes, zilver- en glaswerk, achter moet laten, neem je toch vaak het verkeerde mee, vooral omdat het allemaal zo snel moest. We hadden naaigaren meegenomen en grove linnen lakens. Bleek een goede zet te zijn. Zo kon ik borduren met kleine fijne steekjes. Ik heb daarmee acht tuintafereeltjes geborduurd, prachtig, maar helaas nooit meer terug gezien.


In een van de koffers zat een paar schoenen van mij, dichte met veters. Aangezien ik in het kamp altijd op blote voeten liep, pasten de schoenen mij na verloop van tijd helemaal niet meer. En ook een favoriet jurkje, dat ik altijd droeg tot er gaten in vielen en ik met eindeloos geduld stukjes van de ceintuur afknipte en weer vierkantjes naaide op de versleten plekken. Je had wat te doen in ieder geval.


Toen de wijk dicht ging was het uit met de ritjes naar het marinekampement en de vijf honden, die we tot dat moment allemaal met elkaar hadden, gingen ook weg. Onze honden gingen dus naar die Chinees. Het was niet leuk opgesloten te zijn,we leefden echter met hetgeen we toen hadden. We amuseerden ons wel en ik geloof, dat de dames ’s avonds bridgeden. Nog één keer moesten we inschikken want er kwam nog een familie bij en even daarna moesten we allemaal uit de Boeringweg 17 en verhuisden we naar verschillende adressen. Wij gingen naar de kant van het mooie witte kerkje, dichtbij de Idjen boulevard (nu Ijen boulevard). Natuurlijk waren daar ook al families op die adressen en die moesten inkrimpen voor ons. Er was een mevrouw Lelieveld, die we later weer bij ons in het kamp terug zagen en een Indische familie met veel kinderen, die één keer per dag hun “plicht” moesten doen. Dat kon lang of kort duren; ik heb wel eens een half uur voor de wc moeten wachten. Achter ons huis werd trekharmonica gespeeld en heel mooi, dus dat wilde ik ook leren later. Het meisje, dat die muziek maakte, kwam later ook in ons kamp; ze heette Thea net als ik.


Op 5 december 1943 werden we opgehaald met open vrachtwagens en we werden naar het station gebracht. Daar werden we ingeladen, zestig of tachtig mensen per wagon. Mijn Moeder en ik zaten tegenover elkaar bij het raampje, dat geblindeerd was. We trokken dus het jalouzietje omhoog, je wilde toch wel wat zien. Toen er buiten een Indonesiër voorbij kwam, vroegen we hem: “mogen de raampjes open?” “Ja hoor, natuurlijk”. Nu vindt men in Indonesië altijd alles wel goed, maar de Japanner, die langs kwam niet. Hij begon buiten al te schreeuwen en ik zag hem woedend de trap op naar binnen komen. Hij sloeg eerst mijn Moeder recht in het gezicht met de kolf van zijn geweer. De bril ging in duizend stukjes de hele coupé door en daarna sloeg hij haar een gat in haar hoofd. In haar gezicht was geen bloed te zien op haar hoofd wel. Gelukkig waren haar ogen niet geraakt. Hij draaide zich toen om naar mij. Ik hield onmiddellijk mijn armen omhoog ter bescherming van mijn gezicht, maar de klap kwam niet. Misschien zag hij, dat ik nog heel jong was. Dat was dat en we gingen geblindeerd en een ervaring rijker van start.


Afbeelding:Vhdhnw3.png
Idjen boulevard (foto 1985)


Onderweg werd er wel eens gestopt. Dan kwamen ze langs de wagons en riepen: “Mau poep, mau pies”, je mocht er dan even om je behoefte te doen en dat was dan midden in een sawah of een bosje.


We kwamen “ergens” aan en werden weer met vrachtwagens naar het kamp gebracht. Het was elf uur ’s avonds. We wisten helemaal niet waar we waren. Het bleek Solo (Soerakarta; nu: Surakarta) te zijn, een kamp waar we anderhalf jaar zouden verblijven. Het was een ziekenhuis, dat een vrouwenkamp werd voor vier duizend vrouwen (het algemeen ziekenhuis: Rumah Sakit Umum). We kwamen in Blok 2. De overdekte galerijen vormden een vierkant met aftakkingen, korte galerijen, die naar allerlei afdelingen gingen. In Indonesië zijn in dergelijke gebouwen de galerijen helemaal open, alleen zit er een dak overheen, zodat je niet nat wordt als het regent en beschermd wordt tegen de zon.


Blok 2 was een afdeling helemaal aan het eind van zo’n aftakking en bestond uit vier kamers met voor- en achtergalerij. Die galerijen waren dicht gemaakt met gedek, dat is gevlochten bamboe. Dus de dichtgemaakte galerij, liep langs die vier kamers. In de zo ontstane ruimte hadden ze op schragen planken getimmerd en daar sliepen we op, allemaal naast elkaar, zesentwintig vrouwen en kinderen. Er was een kleine zijtak van de grote galerij naar de wc en badkamer. We leerden snel zuinig met water om te gaan; het kwam druppelsgewijs uit de kraan. Ik geloof dat wij derde en vierde plek lagen vanaf de opening in het gedek. Er was geen deur, er was slechts iets open gelaten waar je doorheen kon; de opening had wel de vorm van een deur.


Afbeelding:Vhdhnw4.png
Thea voor het voormalig vrouwenkamp in Solo (foto 1985)


Wie viel op bij die zesentwintig mensen? In het midden lag een Indische mevrouw met haar dochter, die altijd zat te breien, voor ons en opzij lagen twee schoonzussen met ieder een kind, achterin was een mevrouw met een klein meisje en dat meisje moest op de po, voorbij de “deur” buiten op de galerij, waar wij eigenlijk altijd zaten, net buiten je Blok. Als dat meisje klaar was, moest steeds weer haar endeldarm naar binnen worden gedrukt, want die kwam er altijd uit als ze op de po zat. Als kind vond ik dat fascinerend en zielig. Ik denk dat het kind vier jaar was.


Even buiten de opening van ons Blok, hadden ze een trapje gemaakt, naar de tuin, een open stukje grond met Cemara’s. Daar werden zondags de kerkdiensten gehouden, buiten, onder de Cemara’s. Ik verzuimde nooit er naar te kijken. Eerst een protestantse dienst, daarna een katholieke. De laatste was het aardigst met dat gerinkel van de bellen. Een meisje in het Blok tegenover ons is daar katholiek geworden, wel een belevenis vond ik. Dat meisje was van de familie Visser. Wat zo apart was aan die familie was, dat het bestond uit moeder, twee grote zussen, ik denk negentien en eenentwintig jaar en dan een heel kleintje van een jaar of drie. Zij heette Alma Mia en je hoorde ze de hele dag roepen. De jongste van de twee zussen was degene, die katholiek werd. Veel later is mevrouw Visser gestorven; daar hebben we allemaal in meegeleefd, want je kent elkaar natuurlijk heel goed, na verloop van tijd en op zo’n klein stukje grond. Het Blok van de familie Visser zat iets ingewikkelder in elkaar. Achter hen zat Thea Cecingclee, de Thea die zo mooi kon spelen op de accordeon; die familie had vier kinderen. Verderop in de galerij zat een meisje met het mooiste haar, dat ik ooit heb gezien. Het was asblond, een kleur die ik later nooit meer heb gezien; misschien bestaat de kleur wel, maar in mijn herinnering was het prachtig en uniek.


Afbeelding:Vhdhnw5.png
De overdekte galerij in het tot vrouwenkamp
veranderde ziekenhuis in Solo (1985)


Het eten: In het begin kregen we ’s morgens maïskorrels, gewoon droge maïskorrels. Mijn Moeder had een blik Blue Band margarine meegenomen en met een klontje boter was het goed te eten. Dat hebben we drie maanden gehad, daarna kregen we stijfselpap, een glazige glibberige massa. Zodra je er een lepel in zette werd het water, lekker voedzaam. Ik denk, dat het tapioca was. ’s Middags een bordje rijst met sajoer. De eerste keer, dat we het kregen en ik in de drum keek, zag ik dat er kippenkoppen en kippenpoten in dreven met snavels en nagels er nog aan. Niemand at daarvan in het begin, de honger was nog niet erg genoeg. Mevrouw Lelieveld at ze wel, de koppen wel te verstaan; ze sloeg de schedeltjes er af en at de hersentjes op. Eigenlijk wel verstandig. Maar al spoedig zaten er geen koppen en poten meer in en werd het al gauw een onbestendige koolsoep, “slootwater” met een blaadje kool hier en daar. Toen begon dan ook de honger. Het went wel, je maag gaat krimpen en de “hongerpijn” gaat over.


Afbeelding:Vhdhnw6.png
De kleine zijtak van de grote galerij naar wc en badkamer (1985)


We hadden nog wat koffie, echter geen suiker of slechts een heel klein beetje, dus probeerden we koffie met zout erin en dat is zo vies, dat we maar pure “koppie tubruk” dronken. Wel draaiden we dagen lang koffie-extract met een heel klein beetje suiker. Dat werd na uren roeren een romige massa. Massa te vertalen in een bodempje van één centimeter dik in een kopje. Maar goed je was bezig en als je dan ging nippen, heel kleine hapjes, was het genieten, het was heerlijk. Veel later kwam er ’s avonds brood op de plank: “iets” van 2 x 2 x 1 cm., dat er van binnen heel glazig uitzag. Je sneed het in hele dunne plakjes om er zo lang mogelijk mee te doen. Het was dus niet veel wat we te eten kregen en alle mensen, die het kamp binnenkwamen, dik of dun, waren na drie maanden mager, allemaal. Na verloop van tijd verdween de menstruatie. Het hield gewoon op en je zag geen badstof verbandjes meer hangen/of op de bleek liggen. Ik was het nog niet en de eerste keer is pas veel later na de oorlog gekomen met behulp van injecties. Mijn Moeder heeft het nog een keer na de oorlog gehad en dat was meteen de laatste keer.


Afbeelding:Vhdnw7.png
Ik bij het “doorgeefluik” van de keuken (1985)


In de badkamer stonden we allemaal met elkaar. Een mevrouw had ik het kamp binnen zien komen, waggelend, zo dik. Ze zat bij ons en toen ik haar na een paar maanden in de badkamer zag, had ze overal “schortjes” van vel hangen. Eigenlijk hoefde ze geen kleren aan, alles was bedekt met vel. Tegenwoordig wordt er vaak gezegd: “Ja maar ze krijgt medicijnen” of “haar schildklier werkt niet”. Ik heb het in het kamp gezien: ieder pondje gaat door het mondje en als er weinig eten is word je gewoon mager.


In die anderhalf jaar in Solo werd het steeds minder wat je te eten kreeg en er waren mensen, die door gebrek aan iets, rare verschijnselen vertoonden: haargroei als een aap, blindheid en weinig weerstand natuurlijk. De ziektes namen toe en de sterfgevallen ook. Op een middag, toen we even op ons bed lagen, viel er een schaduw over ons heen. In de opening stond een Japanner. Hij stond demonstratief te spelen met zijn bajonet en dat betekende, dat je niet gauw nog iets kon verstoppen. In het begin moest je namelijk alles wat waarde had inleveren bij de Japanners: radio’s, sieraden van goud en zilver, enzovoort, enzovoort. Wanneer ze er achter kwamen dat je iets had achtergehouden, dan kreeg je klappen. Veel mensen hadden een radio meegenomen naar het kamp en hoewel er veel ingeleverd werden, bleek achteraf dat er tot het laatst toe, radio’s waren. Mijn Moeder had een gouden armband met slangenkop. Op die kop zaten twee smaragden en een grote diamant. Ze had hem ingeleverd en kreeg hem om onbegrijpelijke reden nog terug ook. De steentjes hadden ze er uit geslagen, daar was het kennelijk om te doen geweest. Later heb ik het kapotte gedeelte er tussenuit laten halen en is er een gouden horloge tussen gezet. Ze had ook een trouwring en een ring met twee grote diamanten en een reeks kleintjes daar omheen. Dat ringetje had ze in taft genaaid en achter in de rand van de hangzak genaaid. We hadden allemaal hangzakken aan het gedek hangen, waar je je spulletjes in kon opbergen. Toen dus die Japanner daar stond kon er niets meer verstopt worden; we moesten mee naar het voorplein om de hele verdere middag te leren hoe je op z’n Japans moest buigen.


Afbeelding:Vhdnw8.png
Het voorplein van het ziekenhuis was niets
veranderd m.u.v. monumentje op de voorgrond
(foto 1985)


Mijn Moeder werd een beetje zenuwachtig. Bij inspecties van de Blokken waren Japanners en een Blokhoofd aanwezig. Wanneer ze iets vonden werd het Blokhoofd verantwoordelijk gesteld.


Iemand had mijn Moeder in het oor gefluisterd, dat alle hangzakken werden nagekeken, dus mijn Moeder dacht: “daar gaat mijn ringetje”. Ze was natuurlijk ook bang, dat ze zouden ontdekken, dat de ring van haar was, want dan volgde straf en die straf was niet mild: in de zon staan op het voorplein, aframmelingen, stukken zeep eten of een paar dagen geen eten. Dat laatste was meestal een collectieve straf voor het Blok; als ze bij zo’n inspectie veel vonden werd het hele kamp gestraft. Tijdens de bewuste inspectie hadden ze veel zakken van de muur gehaald en op de matrassen gegooid; die van ons hing er nog, oh wonder!


Wij stonden op het voorplein alsmaar te buigen, tot het moment dat we Dr. Engels naar voren zagen komen. Ze stond voor de Japanners en we zagen een Japanner zijn zwaard opheffen om haar te slaan en wat ze toen deed was het ergste dat je een Japanner kan aandoen, ze greep het zwaard. Daarna werd ze naar binnen gesleurd en met riemen is ze afgetuigd. Veertien dagen erna was ze dood. We hebben het er niet meer over gehad, maar ik denk of ik weet het zeker; de aanleiding was dat ze niet boog, ze knikte even en dat was niet genoeg voor de heren. We waren allemaal diep onder de indruk want iedereen kende Dr. Engels als een aardige vrouw, die met veel zorg en medeleven langs haar patiënten ging. Zulke gebeurtenissen zijn dieptepunten in het kampleven, je vergeet het nooit meer.


Opm. Japans buigen bestaat uit:
Staan: = kiotsekee
Diep voorover buigen: = kiree
Weer rechtop staan: = nauree


En oh wee als je niet diep genoeg bukte.


Wat gebeurde er verder in het kamp?
Een paar incidenten waren er wel natuurlijk. Wij waren het derde transport, dat aankwam in Solo. In het eerste transport zat een jonge vrouw, die nabij het kamp door een kancil aangevallen was, met zijn hoorn had hij haar been aan de achterkant van boven naar beneden opengehaald. Ik heb het litteken gezien


Op een dag wilden de Japanners meisjes voor de soldaten, zogenaamde troostmeisjes. Nu hadden wij een zuster van het Leger des Heils als onze “kampcommandant”, een geweldig mens. Ze was niet bang voor de Japanners en dat voelden ze wel aan; ze toonden toch een zeker respect voor haar. De tolk was een Japanse of Chinese, ik weet het niet zeker. De Japanners probeerden de troostmeisjes in alle kampen te ronselen en er waren er bij, die vrijwillig meegingen, maar niet in ons kamp. Zuster Smit zei tegen de Japanners: “Schiet mij maar dood, maar jullie krijgen geen meisjes” en het gebeurde ook niet. Bij de keuken was een keer een incidentje: de jongens, die er werkten hadden iets verkeerd gedaan. Ze moesten tegenover elkaar gaan staan en elkaar slaan. Dat ging natuurlijk niet hard genoeg, dus deden ze even voor hoe het wel moest.


Wat deden we eigenlijk de hele dag?
Lummelen bij je Blok. Ik heb er nog een truitje gebreid op hele dunne pennen. Het ringetje van mijn Moeder heb ik in het bamboe paaltje van het trapje naar de “ Cemara-tuin”, gestopt. ‘s Zondags, de kerkdiensten, die bekeek ik van de eerste tot de laatste minuut. Er was een klein Japannertje geboren in ons kamp. De moeder, ik meen, dat het een Hollandse was, bleef wel in het kamp, maar ze lag apart in een kamertje en kreeg eten en fruit. Haar kindje heette Tojo. Later kwam ze er mee langs onze blokken wandelen; wij er allemaal omheen: “Ach wat een lief Tojootje, wat een leuke scheve oogjes en leuke kromme beentjes”

Ze was zo trots als een aap.


Een maal per dag werden er twee handkarren binnengebracht met groenten en vleesafval. Met vijf man brachten ze zo’n kar naar de keuken. Ik heb dat ook gedaan en ik vond het heerlijk. Je kwam op een stukje voorplein, waar je normaal niet mocht komen en je deed iets nuttigs. De dokter had echter tegen mijn Moeder gezegd, dat zulk werk veel te zwaar was voor een meisje van dertien en dus was het afgelopen.


Soms kwam er inspectie en moesten we elk grassprietje dat we zagen uittrekken en er stond al niet veel groen.


In Blok 2 heb ik waterpokken gehad; doodziek ben ik geweest, hoge koorts en daarna kwam de jeuk. Ik heb veel pokken kapot gekrabd, twee littekentjes ervan zitten op mijn voorhoofd.


Een Japanse bewaker, Hashimotto, was wel een geschikte, een andere Matsumia was een slechte. Hoe je het verzond als kind, weet ik niet, maar je zong: “ Matsumia is gevallen van de trappen op zijn ballen”. Zodra we hem zagen begonnen we te zingen. Hij kon het gelukkig niet verstaan. Hashimotto ben ik na de kamptijd in Bandoeng (nu: Bandung) nog tegen gekomen. De Japanners waren toen zogenaamd geïnterneerd maar eigenlijk vrij om te gaan waar ze wilden. Hoe het kwam, weet ik niet meer maar we hebben met elkaar gesproken en ik kreeg het Jappen-jack van hem. Dat jack heb ik nog heel lang gedragen in Holland.


Bij ons in het Blok was ook een vrouw, die ik met bewondering gadesloeg als ze haar haar deed. Ze maakte op haar hele hoofd grove krullen, zette ze vast met een speld en dat ging allemaal in een razend tempo. Ik zou het nog voor kunnen doen.


Wat uniek was in ons kamp met vierduizend vrouwen was, dat ik nooit een wandluis heb gezien. In andere kampen was het een ware plaag, niet bij ons. Hoe dat kon, ik weet het niet.


De eerste oude man ging dood. Ook dan ging je mee naar het voorplein. Ik weet nog dat ik alsmaar moest lachen, toen hij langs kwam. Ik weet niet hoe dat komt, maar ik heb later eens gelezen, dat een dergelijke “tik” bestaat.


Toen kwam het moment, dat de jongens het kamp uit moesten. Eerst vanaf veertien jaar, daarna vanaf twaalf jaar en tenslotte, die van tien jaar. Dat waren hartverscheurende taferelen. De moeders waren wanhopig, sommigen gilden, anderen berustten erin. Nu ik zelf kleinkinderen heb van tien jaar, denk ik, geen wonder, dat ze ten einde raad waren. Ach God wat is nou helemaal tien jaar.


Soms ook kreeg een vrouw een doodsbericht van haar man. Een vrouw heeft een half uur gegild.


Dit waren zomaar wat bijeengeraapte gebeurtenissen, die nog scherp in mijn geheugen staan gegrift.


Afbeelding:Vhdhnw9.png
Rumah Sakit Umum, hier verbleven mijn Moeder
en ik met vierduizend anderen, gedurende
anderhalf jaar (foto 1985)


Ik wil het nu nog even over de vrouwen hebben, die in de keuken werkten, geweldenaren waren dat. Ik heb heel even in de keuken gewerkt, darmen schoonmaken. De darmen kwamen vol binnen, de viezigheid werd er uit gedrukt, ze werden gewassen en daarna in kleine stukjes gesneden, dat deed ik. Zoveel was dat niet, maar daarom bewonderde ik zo zeer die vrouwen, die daar stonden en werkten. Zij maakten er immers nog iets eetbaars van.
Rijst werd gestoomd in enorme manden. Binnen stonden hele grote soepketels, die we drums noemden, op een vuur.
Betonnen muurtjes, van boven open en van voren een gat. In dit gat ging het hout en bovenop stonden de drums.
Deze waren zwaar als ze vol waren en ze moesten verdeeld worden bij al de Blokken. Daarbij stonden de vrouwen, die in de keuken werkten voor die hete vuren en ze moesten van niets iets lekkers proberen te maken. Nou lekker!!
Ze bakten ook de eerder genoemde “broodjes”, hoe ze dat voor elkaar kregen weet ik helemaal niet.


Mijn broer moest, toen wij voor de oorlog in Malang woonden, naar de tandarts. Het was een Chinees en altijd kwam hij “jankend” thuis. “Die rot Chinees, die kan het niet en die deed hem zo’n pijn”. Nadat ik dat verschillende keren had aangezien, dacht ik: “ik mooi niet”.
Dus toen ik kiespijn kreeg, liet ik het over me heen komen, elke dag kiespijn. Die pijn werd steeds erger en erger, kiespijn, kiespijn en nog eens kiespijn, een hele lange tijd, links onder.
Eten moest altijd voorzichtig aan de rechterkant. Ik vraag me nu af waarom mijn Moeder nooit iets gemerkt heeft of ik was goed in het toneelspelen, dat zal het wel geweest zijn.
Toen we in het kamp zaten, begon er aan de andere kant ook een kies op te spelen en toen moest er wat gebeuren. Er was een vrouwelijke Nederlandse tandarts in het kamp en daar ging ik heen.
Ze keek mij in mijn mond. Aan de kies links onder deed ze niets. Het was een klein “muurtje” kies geworden en in het midden was er een stukje wild vlees over gegroeid. Dat moet lang geduurd hebben voor het zover was.
Geen wonder, dat het pijn had gedaan, de kies had open en bloot gelegen. De andere kies ging dezelfde weg op, maar ze heeft hem gered. Na eerst nog twee gaatjes te hebben gestopt met cement, werd er in de kies een medicijn gestopt om de zenuw te doden. “Daar zul je een dag last van hebben” zei ze en dat was ook zo. Daarna moest ik terug komen en maakte ze van cement een soort kroon. Deze bevestigde ze op de kies, na eerst de dode zenuw er uit gehaald te hebben. De kroon heeft het gehouden tot na de oorlog. Toen moest de cement er uitgebikt worden en de stukken vlogen me om de oren; er werd daarna een echte kroon opgezet. Die tandarts in dat kamp, ben ik nog dankbaar. Ze heeft het geweldig gedaan en de verdere kamptijd heb ik nergens meer last van gehad, behalve dat ik altijd rechts moest kauwen, maar dat was mijn eigen schuld.
Ik ben flink beetgenomen door mijn broer en heel veel spijt heb ik gehad, dat ik er niet direct mee voor de dag ben gekomen.


Als je voor het hoofdgebouw stond, waar de Jappen zaten, moest je naar rechts om naar ons Blok te gaan en naar links zat alles wat met ziekte e.d. te maken had, zoals de dokter, mijn tandarts dus en het ziekenhuis.
Mijn Moeder kreeg bacillaire dysenterie en ze moest daarom twee weken naar het ziekenhuis.
Ik ging haar daar wel opzoeken maar ik herinner me er heel weinig van. “Thuis” moest ik het ook draaiende houden. Ik was toen twaalf jaar oud.
Wat me schokte toen ze terug kwam in ons Blok, was het zien van haar borsten en spontaan zei ik tegen haar: “Je hebt nu twee katjangzakjes”. Twee verrimpelde dingetjes, anders kan ik het niet noemen. De volle borsten waren niet meer. Ze was erg mager geworden als gevolg van de dysenterie. Dysenterie heerste heel erg, dus de een besmette de ander; zo fris was het niet op de wc’s en er was bijna geen water, dus……! Maar Moeder was weer terug; kort daarop hoorden we, dat we weg moesten uit het Blok. Dat was niet leuk, want je hecht je toch aan zo’n plek.
Achter de keuken hadden ze een gat in de muur geslagen en als je daar doorheen stapte kwam je op een ommuurd terrein, waar ze barakken hadden neergezet, een soort dependance dus.
Die dependance had ook een naam, die heeft mijn Moeder ergens opgeschreven in haar verhaal (Boemikamp). Verder bleef alles in het oorspronkelijke kamp, ziekenhuis, keuken enz. Het werd overbevolkt want zo nu en dan kwamen er toch transporten binnen. Mijn Moeder ging er later nog eens kijken en die kwam met het nieuws terug, dat er nonnen in ons Blok 2 waren gekomen.


Zoals ik al zei, de dependance bestond uit barakken. Zo’n barak was een rechthoekig gebouw met links en rechts tegen het gedek planken slaapplaatsen. In het midden van de zijwand van de barak was een opening, zonder deur natuurlijk en aan dezelfde kant van de barak was nog een opening waardoor je via een galerijtje naar de wc kon. Dat was het en ik schat, dat we er met tachtig mensen naast elkaar inlagen. De matrassen hadden we ook al smaller moeten maken om meer ruimte te creëren. Hoeveel barakken er stonden, weet ik niet meer, daar heb ik niet op gelet.
Wij zaten in een van de eerste barakken van het complex, misschien stonden er twaalf of zestien, ik weet het niet.
Mevrouw Visser lag als eerste bij de ingang naar het galerijtje. Elke morgen, zag je haar, als je die kant op keek, heel rechtop zitten en de rozenkrans bidden. Het leek precies een beeldje.


Afbeelding:Vhdhnw10.png
Schema van barak in vrouwenkamp te Solo (Boemikamp)


Aan de overkant lag Ciska Jansen. Ik herinner me haar, omdat ze heel mooi was. Wat indruk op me maakte, was dat ze heel ziek werd en ik meen, dat ze toen is gestorven; ze was jonger dan ik.
Tegenover ons, dicht bij de hoek van de barak, was een meisje, dat elke dag gilde als een verpleegster bij haar langs kwam om de wond te verschonen. Ze had een wond in haar lies en die wond wilde niet genezen. In dat gat werd elke dag een nieuwe tampon gedaan en dat deed heel veel pijn. Dat gat zat er al zo lang, dat het been aan die kant korter was dan het andere. Het wilde niet meer groeien. Toen we op transport gingen naar Moentilan, schijnt het, dat door een schok van de vrachtwagen die door een kuil reed er een stukje bot te voorschijn was gekomen, waarna de wond snel genas.


Buiten de barak, net om de hoek van de “deur” heb ik steeds geborduurd; mijn tuinmannetjes.
Het werd prachtig en ik had er licht genoeg en dat was nodig, want het was heel fijn werk. Jammer, dat ik het ben kwijtgeraakt.
Toen het af was heb ik voor mijn Moeders verjaardag een broche geborduurd, bloemenkransen en een “M” in het midden. Ze vond het heel mooi en ze vond het verschrikkelijk, dat ze de broche in Holland is kwijtgeraakt.


Als de regentijd aanbrak, kwam er vijf cm modder op de vloer van de barak te liggen.
Daar kon ik niet tegen en als ik ’s avonds naar bed ging, nam ik een emmer en dweil en dweilde het stuk van de ingang naar ons bed schoon. Dat deed ik elke avond, zo kon ik met schone voeten onder de klamboe.
Mijn Moeder kon goed zingen en als we zo ’s avonds samen onder de klamboe lagen, zong ze een hele musical van Sneeuwwitje voor me. Ik kan er nog gedeelten van zingen en ik kreeg niet genoeg van het liedje uit de bundel “Kun je nog zingen, zing dan mee”: “Er schommelt een wiegje in het bloeiende hout, een wiegje met bloemen gordijntjes” Honderden keren moest ze dat voor me zingen.
Ook heeft ze me veel verhalen over haar jeugd verteld. Zo samen in de klamboe, dat waren eigenlijk wel de intiemste momenten van de dag.
Naast ons lagen een mevrouw en een dochter. Op een middag begon ze plotseling te gillen, dat ze blind was, zo maar. Ik weet niet hoe dat verder is afgelopen, maar het kwam wel voor door gebrek aan iets.
Mijn Moeder moest wacht lopen. De vrouwen in de loods maakten een wachtrooster. De wachten waren van 20.00 tot 24.00, van 24.00 tot 04.00 en van 04.00 tot 08.00 uur.
Het rooster was zodanig, dat alle vrouwen netjes een beurt kregen en ook de wachttijden werden eerlijk verdeeld. De middernachtwacht was niet zo leuk; je hoorde wel eens iemand schreeuwen achter het gedek of er kwam een dronken Japanner binnen.
We hadden bij onze barak een papayaboompje, dat werd vertroeteld en gekoesterd. Toen dat boompje twee meter hoog was, kwam er zo’n dronken Japanner ’s nachts en met een haal van zijn sabel, velde hij dat boompje.
Wat moest mijn Moeder zeggen als er ’s nachts een Japanner langs kwam: “Fuchiban fucumutjo idjo ari massin” hetgeen zoveel betekende als:” De wacht meldt, dat alles in orde is”


Daar in die loods ben ik ziek geweest. Amoeben dysenterie kreeg ik. De eerste dag moest ik vierentwintig keer naar de wc, hurkwc’s hadden we en op het laatst kwamen er alleen maar druppeltjes bloed. Hoge koorts er bij en die werd nog hoger toen er geelzucht bij kwam. De koorts steeg tot boven de eenenveertig graden. Mijn Moeder had de dokter gevraagd langs te komen. Ik zag ze in een waas samen voor de klamboe staan. De dokter deed de klamboe heel even op een kier, keek even en ging toen met mijn Moeder staan praten. Mij kon het allemaal niets meer schelen.
Maar ik werd weer beter; de geelzucht verdween en de dysenterie ook, hoewel toen ik weer uit bed kon, ik gedurende zes dagen bij het ziekenhuis moest langs komen. Om twaalf uur ’s middags kreeg ik een liter warm zeepsop ingespoten, daarna moest ik hard naar huis rennen en na twee uur als mijn darmen schoon waren, moest ik weer terug en kreeg ik een groen medicijn ingespoten.. Dat was tegen de amoeben; het schijnt, dat die infectie erg hardnekkig is. Het heeft goed gewerkt, ik heb nooit meer last gehad van amoeben dysenterie. Er werd beweerd, dat bacillaire dysenterie heel hevig was, maar niet meer terugkwam, terwijl amoeben dysenterie je hele verdere leven kon blijven zeuren. Maar gelukkig niet bij mij.
In mijn knieholte en op mijn enkel had ik twee wondjes, die niet wilden genezen, maanden heb ik er mee gelopen, maar uiteindelijk zullen ze toch wel dicht gegaan zijn; de littekens zijn er nog.. Dit kwam heel veel voor in het kamp, wondjes, die niet dicht gingen.


Eigenlijk was het eerste kamp, achter de muur, een eind weg. Je kwam er niet zo vaak meer, alleen voor het hoogst noodzakelijke, voor de rest bleef je maar zo’n beetje om de barak heen hangen.
Een keer heb ik op mijn blote voeten nog in een soort mestvaalt gespit; dat was vies, maar ook daar heb ik niets aan overgehouden gelukkig.


Na anderhalf jaar Solo gingen we weer eens op transport. Waarheen wisten we niet.
Mijn Moeder is een paar dagen er voor naar Blok 2 gegaan en heeft aan de daar geïnterneerde nonnen gevraagd of ze de bamboepaal bij het trapje uit de grond wilden trekken om het ringetje te redden. Dat hebben ze gedaan, ’s nachts. Ze hebben het paaltje mee naar de badkamer genomen, omgekeerd en leeggeschud en toen bleek, dat mijn Moeder niet de enige was, die het paaltje als schuilplaats had gezien. Wij hadden in ieder geval de ring terug. Dappere nonnen.
Vlak voordat we weg zouden gaan, moest mijn Moeder weer naar het ziekenhuis. Het zal wel weer voor de dysenterie zijn geweest, ik weet het niet meer.
Ik moest alles bij elkaar pakken, twee koffers, een hutkoffer en een met houten banden er omheen, twee rugzakken, die mijn Moeder in het begin in Malang had laten maken en drie tassen. Dat alles moest ik alleen zien te dragen. Dat kon natuurlijk niet.
’s Avonds om elf uur moesten we op het voorplein zijn en daar stonden vrachtwagens om de zieken te vervoeren naar de trein, ook mijn Moeder was daarbij.
Wij gingen lopend en dat bleek een heel eind te zijn. Achter het ziekenhuis gingen we de rimboe in; niemand mocht ons zeker zien en maar lopen met Japanners naast ons. Na een uur ging het steeds langzamer en mijn vijf tassen werden steeds zwaarder. Ik geloof niet, dat de Japanners ons erg opjoegen, dat kan ik me tenminste niet herinneren. Midden in de nacht in het pikkedonker met zware bagage.
Op een gegeven moment was er een mevrouw, die een bamboestok vond en die zei tegen mij:
“Hang al jouw tassen hieraan en ik de mijne. We nemen de bamboe op onze schouder, dat draagt makkelijker” en zo was het ook, het scheelde een stuk.
Er kwam die nacht voor mij nog iets bij. Ik moest plassen en dat deed ik niet. Dat hoorde niet, dus ik hield de plas op. Mijn blaas ging zeer doen, steeds erger, ik kon nergens anders meer aan denken. Eindelijk kwam het station in zicht, toen wel met schreeuwende Japanners, maar dat kon me allemaal niet schelen’, plassen en pijn. We gingen de coupé in en ik denk, dat een mevrouw aan mijn gezicht zag, dat er iets was, want dat vroeg ze aan me. Toen ik vertelde, dat ik heel erg moest plassen, toverde ze een leeg Blue Band blik te voorschijn en ze zei tegen me: “Ga hier maar op zitten kind” Die zin vergeet ik nooit meer. Ik heb dat blik op de bank gezet, ben er op gaan zitten en heb geplast, heel lang.
Toen dit allemaal gebeurd was en we allemaal zaten, kwam een mevrouw binnen, die naar Thea Peters vroeg. Dat ben ik dus. Mijn Moeder had haar gevraagd de trein door te lopen om te kijken of ik er in zat. Zo wist ik, dat zij in de trein was en Moeder wist, dat ik er ook in zat.


We kwamen in een klooster in Moentilan (nu: Muntilan). Achteraf bleek, dat dit geen klooster was maar een internaat. Het moet een katholiek internaat geweest zijn, want bij binnenkomst kwam je direct in een grote kerk met een katholiek interieur. Achter deze kerk lag een grote zaal, waar we met driehonderd mensen kwamen te liggen, aan de zijkant rijen en in het midden twee rijen met de hoofden naar elkaar toe.
De wc’s waren buiten op vrij grote afstand, het waren slootjes met tussenschotjes van gedek.
Op de eerste plaats moest je een eind lopen om er te komen. Wij lagen ongeveer in het midden van de grote zaal in een van de twee middelste rijen; op de tweede plaats: als je pech had en er zat iemand achter je met diarree, kreeg je de spetters, die door het gedek heen kwamen, op je rug. Het was best een hele vieze bedoening.
In de kerk werd gemarteld met elektrische apparatuur. Wij zagen de flitsen en hoorden het geschreeuw omdat onze zaal naast die kerk lag. In de kapel (of misschien was het een ander gebouwtje) legden ze de doden netjes naast elkaar. Wanneer ik er ’s morgens langs kwam, liep ik er snel voorbij, want de deuren stonden open en ik zag alleen de voeten gelukkig.
Het aantal doden steeg gestaag.


In de zaal ben ik gerechten gaan opschrijven en ik droomde van suiker en kaas. Steeds bleef ik zeggen, als we hier uit komen, koop ik een kilo suiker en eet ik dat achter elkaar op.
Op een keer zaten mijn Moeder en ik op ons bed met ons bordje eten. Hoe we er aan gekomen zijn weet ik echt niet meer, maar we hadden samen een eendenei, ieder een helft. Dat was natuurlijk geweldig en dan komt een Japanner de zaal in en bekijkt heel aandachtig alle borden. We moffelden zo goed mogelijk dat halve ei onder het andere eten. Gelukkig liep hij door, hoewel hij ook bij ons aandachtig stond te kijken.


Een keer hoorden we, dat er een varkenskop was binnengekomen. Moet je voorstellen, één varkenskop voor een paar duizend mensen. Maar goed, die kop werd gekookt en de bouillon ging naar de ernstig zieken. Daarna werd de varkenskop in stukken gehakt en weer gekookt om weer wat bouillon te krijgen. De stukjes werden steeds kleiner en het geheel werd vier keer gekookt, steeds maar weer om een beetje bouillon te produceren.
Ik kan me herinneren, dat in Solo een roofvogel zijn prooi liet vallen boven het kamp. Dat was een kuiken. De bouillon daarvan is ook naar heel zieke mensen gegaan.


Mijn Moeder had nog een pakje sigaretten en die ruilde ze voor bollen breigaren. Ik kon er een vest van breien en had weer wat te doen.


Tegenover ons lag een mevrouw met haar dochtertje en die vertelde me, dat ik sprekend op Judy Garland leek. Ze had haar ooit ontmoet. Moet je nagaan, ik was dertien jaar en broodmager en toch zei ze dat. Later is dat me nog twee maal overkomen. Mensen, die de filmster in levende lijve hadden gezien, zeiden, toen ze mij zagen, dat ik heel erg op haar leek. De laatste was een Amerikaan, die tegen mij zei: “Je lijkt zo erg op Judy Garland, ik noem je Judy”. Grappig.


Je kon mee naar buiten als je dat wilde en dat wilde ik heel graag. Naar buiten betekende “uit het kamp”, je voelde je dan even een beetje vrij.
Buiten het kamp was een stukje grond op een heuvel. Daar werd wat groente op verbouwd. Niet voor ons maar voor de Japanners. We moesten de planten water geven en dat deden we, door elkaar emmertjes water door te geven, van beneden uit de beek naar boven. Dat was makkelijk werk en je was er even “uit”.
Een keer hadden vrouwen twee kikkers gevangen, die aten ze op, maar ik heb niet meegedaan. Trouwens het was zo’n grote groep vrouwen, dat je zoiets niet kon delen.
Wanneer je naar buiten ging, moest je in rijen van vier achter elkaar opstellen en tellen. De voorste rij moest in het Japans tellen: iets, nie, sang, see enz. In het begin was ik bang dat ik dat niet kon, dus bleef ik achterin hangen, later kon ik het ook en maakte het niet uit of ik voor- of achteraan stond. Natuurlijk moest je weer tellen als je binnenkwam.
Op een gegeven moment moesten we bij de Heiho’s naast ons, poep uit hun beerput scheppen en die poep moest naar de groentetuin gebracht worden als mest. Je liep dan met zijn tweeën, de emmer poep aan een bamboestok op je schouder.
Mijn Moeder vond het verschrikkelijk. Hoewel het heel vernederend was, heb ik het zonder bezwaar gedaan en er niet bij nagedacht, je kon naar buiten!!!


Aanvankelijk hadden we Japanse bewaking. In Solo kregen we op een bepaald moment Heiho’s als bewaking, dat waren Indonesiërs. We gingen er daarmee niet op vooruit. Ze waren zo trots op hun baantje, dat het nog wel eens uit de hand liep.
Veel later ben ik met Hans nog een keer naar dat kamp terug gegaan. Ik heb hem alles laten zien, het was weer een ziekenhuis als voor de oorlog. Het gedek was verwijderd, waar wij sliepen zat nu bezoek.
Bij binnenkomst in het ziekenhuis zat een oudere man bij de receptie. Toen wij vertelden, dat wij graag even rond wilden lopen omdat ik hier in het kamp had gezeten, vertelde hij enthousiast, dat hij ook Heiho was geweest. Overigens kregen we toestemming om rond te kijken.
Het ziekenhuis zag er verwaarloosd en vuil uit, ook de keuken. In mijn herinnering was het schoner toen wij er met vierduizend vrouwen zaten. Het feit alleen al, dat ik nooit een wandluis heb gezien, zegt genoeg.


We gingen weer verhuizen. Met vrachtwagens naar een station en we gingen met de trein naar Ambarawa. ’s Avonds kwamen we daar aan en het bleek, dat we een heel eind moesten lopen naar een kamp in Banjoebiroe (nu: Banjubiru). De koffers moesten op handkarren worden geladen en die moesten wij zelf duwen. De helft van het aantal koffers ging mee met de eerste vracht, de andere helft moest diezelfde avond nog gehaald worden. Weer teruglopen met de handkarren, laden en lopen naar het kamp in Banjoebiroe.


Afbeelding:Vhdhnw11.png
Het station van Ambarawa, waar ik nog veel
herinneringen aan had (foto 1985)


Ik vond mijn Moeder ergens in een garage, geloof ik, op de grond. Ik weet wel, dat ik neer viel en niets meer van de wereld af wist, zo moe was ik.


Hoe het kamp Banjoebiroe er eigenlijk uitzag weet ik ook niet meer. Wel, dat we tamelijk ver moesten lopen naar de keuken en het voorplein. We kwamen dan langs het gedeelte waar de Japanners zich ophielden. Daar stond een grote boom en een keer heb ik daar een vrouw zien hangen, niet met een strop om haar nek maar met gebonden polsen, die achterom naar boven waren getrokken. De handen bloedden en ze kwam net met haar tenen op de grond. Ik verzeker je, dat dat pijn doet.
Ook hoorden we, dat een Japanner op iemands buik had staan dansen. Gelukkig heb ik dat niet gezien.


Afbeelding:Vhdhnw12.png

Afbeelding:Vhdhnw13.png
Station te Ambarawa (foto’s 1985)




Afbeelding:Vhdhnw1.png
We liepen dan door een prachtig gebied met kampongs en klapperbomen
(kaart gestuurd door Vader aan Moeder in de jaren 20)


’s Morgens gingen we naar buiten, het kamp uit. We liepen dan door een prachtig gebied met kampongs en palmbomen en we moesten bij een riviertje stenen klein hakken. Het was niet zwaar of moeilijk, wel warm.


Op een gegeven moment zei mijn Moeder, dat ik slakken moest gaan zoeken. Agaatslakken, die waren vrij groot met een huis. Ik vond er precies twee in het hele kamp. Er waren mensen, die al veel eerder op het idee gekomen waren om slakken te zoeken en te eten. Ze werden gekookt en ze smaakten niet vies. Het was echter een korte vreugde, al gauw was er niet één slak meer te vinden in het kamp.


We waren inmiddels verhuisd naar een heel klein vertrekje van ongeveer 2 x 3 meter, het leek wel een cel.


Er was iets gaande, er veranderde iets. De Heiho’s gingen weg en de Jappen namen hun plaats in. Het leek allemaal wat soepeler te worden.
Ik ontdekte, dat er steeds meer mensen naar het gedek gingen om iets te ruilen. Dus rende ik naar mijn Moeder, kreeg een witte zakdoek en ik ging “gedekken”, zo noemden ze dat. Je liet onder het gedek zien wat je te ruilen had en daar kreeg je dan iets te eten voor terug.
Mijn hart ging te keer want dat had ik nog nooit gedaan. Uiteindelijk waren de Japanners er nog. Maar toch liet ik mijn zakdoek zien, die werd weggegrist en er werd een gekookt eendenei in mijn hand gestopt. Je zag niet met wie je zaken deed. Ik was zo trots als een aap.


We wisten toen nog niet, dat Japan gecapituleerd had.
Er kwam een vrachtauto met Engelsen langs buiten het gedek en die riepen, dat de oorlog voorbij was, maar wij durfden nog steeds niets te ondernemen.
De 24e augustus 1945 werden we ’s avonds bij elkaar geroepen door het kamphoofd (Hollandse vrouw), die op een kist ging staan en ons vertelde dat de oorlog was afgelopen.
En daar stond je dan, wat een emotie. We zongen het Wilhelmus met veel tranen en we hebben naar de maan gekeken, die vol was, groot en oranje.
De volgende dag liepen we zomaar het kamp uit, loerend naar de Japanners, maar die deden niets. Daarna gingen we naar de pasar; het eerste dat we kochten (ruilen?) was rijst, uien en sambal. We maakten er de heerlijkste nasi goreng van die je je maar kunt wensen. “Voorzichtig beginnen met eten”, was het devies. Ik had de eerste dag aan het gedek rode rijst gekregen en opgeslokt, maar daar kwam mijn maag tegen in opstand, hoe kon het ook anders?!!
In die begintijd gingen we elke dag naar de pasar. Je kon er ook kleren kopen, dat was leuk, want in drie jaar hadden we natuurlijk nooit iets nieuws kunnen kopen. Later kwamen we er achter dat al die kleren uit de koffers van de Hollanders kwamen. Die hadden huis en haard achter moeten laten en wat ze achterlieten was mooie handelswaar.
Toen we in het begin nog in de wijk in Malang zaten en er nog uit mochten, zijn we een keer naar de Tennisweg gegaan. Er zaten Indonesiërs in ons huis; de auto van mijn Vader stond voor de garage. Er waren toen niet veel Indische mensen die auto konden rijden, alleen diegenen, die bij een Hollandse familie werkten. Mijn Vader reed zelf, maar mijn Oom had een vaste chauffeur.
Die pasar van Banjoebiroe was best een gezellige pasar, echt Indisch, met veel grote bomen er omheen; we kwamen er met plezier. Daar op die pasar heb ik de eerste Chinese vrouw met horrelvoetjes gezien. Wat een ellende, ik denk dat ieder stap pijn doet.
Ik zag er ook een vrouw, die als klein kind een ijzeren band om haar middel had gekregen. Het lichaam groeit maar dat middel blijft als van een klein kind. Je kunt je voorstellen, hoe het lichaam boven en onder uit die ijzeren band puilde. Het was nu een volwassen vrouw.


De Japanners bleven aanvankelijk nog bij ons, omdat er nog geen anderen waren om ons kamp te beschermen. De Hollandse jongens waren er nog niet en Engelsen heb ik ook niet veel gezien in Banjoebiroe. Het waren de Japanners, die bij ons kamp bleven. We wisten toen nog niet hoe gevaarlijk het buiten het kamp was.


Veel later, na de oorlog hoorden we van een nicht (dochter van Jan), die ook in Banjoebiroe was geïnterneerd, dat ze daar een emmer had zien staan met de naam G.G. Peters er op geschreven. Dat was mijn Vader. Ze hadden dus allebei in hetzelfde kamp gezeten.


De bersiap-tijd brak aan en dat was de meest angstige tijd, die ik heb meegemaakt. Daarom werden we naar Ambarawa gebracht, Banjoebiroe lag nogal eenzaam in een moerasgebied.


In Ambarawa kwamen we in kamp 8 en toen we naar binnen gingen was de eerste die ik zag Anneke, hoe is het mogelijk hè. Dezelfde Anneke van de Buringweg 17.
Het kamp was een school, een speelplaats in het midden en alle lokalen er omheen met aan de voorkant natuurlijk de hoofdgebouwen. Mijn Moeder en ik werden nogal dicht bij de ingang geplaatst, een grote kamer, waar je weer “mannetje aan mannetje” op de grond lag. Veel mensen werden er in zo’n kamer of lokaal gestopt; het hek bleef dicht, we kwamen er weer niet uit hier en dat was maar goed ook. Ik heb ze schreeuwend zien lopen, de pelopors, buiten op straat met bamboe spiesen. De stokken waren wel twee meter lang met een scherpe punt er aan geslepen, griezelig vond ik het.
Op een gegeven moment liep ik op mijn kleppers, dat waren plankjes met een bandje er over heen gespijkerd, aan de voorkant van de school en ik schopte per ongeluk een klepper omhoog en de Japanner, die er liep kreeg hem tegen zijn hoofd. Hij schrok, ik ook trouwens en hij draaide zich woest om naar mij toe, hief zijn hand al omhoog om te slaan, maar bedacht zich, waarom weet ik niet, misschien zag hij dat ik het niet kwaad had bedoeld.


Op een dag was Anneke’s Vader er opeens. Hij was komen lopen uit Tjimahi. Mijn broer zat ook in dat kamp bleek later en het was een heel eind lopen naar Ambarawa. Hij had zijn vrouw en kinderen weer bij zich.
Natuurlijk waren Anneke en ik daar ook veel bij elkaar; ik zat bij hen in hun lokaal en ik staarde onafgebroken naar de Vader van Anneke als hij rookte. Wat ik niet snapte was, dat er na een trek, veel later nog rook uit zijn mond kwam. Dat heb ik hem gevraagd en dat heette inhaleren. Later kregen wij in Bandoeng sigaretten van de Amerikanen en na een week de peuk van mijn Moeder gerookt te hebben, kon ik ook inhaleren. Ziek ben ik er in het begin wel van geweest maar het went snel.


Op een avond in Ambarawa was er dansen op het schoolplein. Ik werd er helemaal opgewonden van, toen op een gegeven moment een jongen op me af kwam. Ik ben toen gevlucht, ik kon niet dansen en dit was te veel van het goede, ik was veertien jaar en nog niet aan zulke dingen gewend.
Doordat we nu meer aten en ook snel aankwamen, kreeg ik rare witte sliertjes op mijn dijbenen. Het ging ook veel te snel. Die sliertjes, zo noem ik ze maar, waren scheurtjes in de onderhuid, de onderhuid, die de plotselinge groei van het lichaam niet aankon. Die “sliertjes” heb ik nu nog. Bij het einde van de kamptijd woog mijn Moeder negenendertig kilo en ik achtendertig. Dat zegt alles.


De Jappen hebben mij nooit geslagen. De eerste keer in de trein had hij de kolf van zijn geweer al omhoog, maar sloeg niet. De tweede keer was toen ik met een meisje in Banjoebiroe stond te praten. Er kwam een Japanner op ons af, sloeg haar, mij niet. En de derde keer was met die Japanner, die een houten klepper tegen zijn hoofd kreeg, hij bedacht zich.


Inmiddels wisten we, dat mijn Vader in Bandoeng zat. Henk was bij mijn Vader, George, die aan de Birma Spoorlijn had gewerkt, leefde ook nog en Bart, mijn middelste broer, zat in Holland en had de “Hollandse oorlog” overleefd. Niemand van onze familie was dood, ook de neven en nichten niet.
De helft van de familie zat in Holland en de andere helft in Indië. Bart in Holland had het Rode Kruis ingeschakeld om te weten te komen of wij nog leefden en waar wij verbleven.
Begin november 1945 gingen wij weg uit Ambarawa, we hadden familie-internering aangevraagd en wij wilden naar Bandoeng naar mijn Vader en Henk.
Dat werd me een reis. We gingen eerst met open vrachtwagens naar Semarang. De vrachtwagens waren bekleed met matrassen en dat was vanwege het gevaar van schieten door de pelopors. Angstig was het, we moesten allemaal op de bodem liggen, zodat ze van buiten af niets konden zien. We werden naar de haven gebracht en daar lag een Japans schip. We werden aan boord gestouwd, overvol was het schip op het laatst. In de ruimen was het niet uit te houden van de warmte, dus iedereen lag boven, aan dek, ook ’s nachts.
We kwamen aan in Tandjung Priok. Daar hoorde mijn Moeder, dat er twee Dakota’s naar Bandoeng vlogen en als we wilden konden we mee.”Wat gebeurt er dan met onze koffers?” vroeg mijn Moeder. “Maak je geen zorgen, die komen wel na”. Niet dus, we hebben ze niet meer terug gezien. We zaten met een paar tasjes in de Dakota. Ik had nog nooit gevlogen en mijn Moeder ook niet, denk ik. Binnen waren twee banken langs de wanden en in het midden kon je op de bodem zitten. Dat was toch wel weer wat!!


Afbeelding:Vhdhnw14.png

Afbeelding:Vhdhnw15.png
Kamp Tjikudapateuh 15e. Bat. te Bandoeng,
waar Vader en Henk waren (foto’s 1985)


In de middag landden we in Bandoeng, werden weer in vrachtwagens geladen en naar het kamp, Tjikudahpateuh 15e. Bat, gebracht waar Vader en Henk verbleven. Ik zat nog in die vrachtwagen, toen ik een lange slungel met een wit, rond gezicht op ons af zag komen en dat bleek Henk te zijn. Hij was heel lang geworden in die drie jaar en had wat oedeem, vandaar dat bolle gezicht.
Hij bezat één onderbroek, die hij ’s avonds waste, ’s nachts droogde en ’s morgens weer aantrok.
Mijn Vader was ook mager, maar die herkende ik meteen. Hij had ook niet veel meer, zijn trouwring was weg, geruild voor eten. Hij had nog één tand en zijn trouwe pijp gelukkig. Ik heb mijn Vader nooit zonder pijp gezien. Aldus waren wij vieren weer bij elkaar, gelukkig. Al gauw hoorden we, dat de pelopors kamp 8 in Ambarawa hadden overvallen. Ze hebben er een aantal mensen dood geschoten en een aantal gewonden gemaakt. Anneke is met haar moeder uit het kamp gevlucht. Wij waren net vier dagen weg. Een moeder met twee dochters, die wij goed kenden, hebben het niet overleefd, vreselijk.


We kregen in Bandoeng een heel groot huis toegewezen met ons vieren. Van dat huis kregen we twee kamers met een voorgalerij. De rest van het huis was toebedeeld aan andere gezinnen. We kregen wat meubels, een bij elkaar geraapt zootje uit huizen, die vroeger van Hollanders waren geweest.



Afbeelding:Vhdhnw16.png
Het huis stond aan de Riouwstraat 66,
vlakbij het Julianaplein (foto 1985)


Maar dat gaf allemaal niet. We zaten weer in een afgerasterd gedeelte van Bandoeng (de wijk), vanwege de gevaarlijke situatie. Hollandse militairen hadden we nog niet gezien. We kregen Sikhs en Gurka’s om ons te beschermen en die waren niet slecht.
De Sikhs waren betrouwbaarder dan de Gurka’s en ze waren mooi om te zien met hun tulbanden. Mijn Moeder wilde ze graag schilderen.
Ondanks alles brak er voor Henk en mij best een leuke tijd aan. ’s Middags gingen we naar Tiamplas, het zwembad. Er was een jongen met een bestelbusje, die ons elke middag kwam halen.
Op een dag waren er zwemwedstrijden en natuurlijk deden Henk en ik mee. Ik weet nog goed, dat ik de eerste vijftig meter dik aan kop lag, maar dat het daarna steeds langzamer ging, ik kwam gewoon niet meer vooruit, de slechte kampconditie speelde natuurlijk een rol.
Henk had een baantje ’s morgens, ik meen bij een bakkerij en ik ben een tijd ’s morgens mee geweest op vrachtwagens, om mensen met hun barang (bagage) op te halen, die zich nog buiten de wijk bevonden. Gevaarlijk maar ik vond het heel leuk om te doen.
Dikwijls bleef er een grote hoeveelheid goederen staan, we konden niet alles meenemen en dan zeiden die mensen: “neem maar mee wat je wilt” We hadden nog niets dus alles was welkom.
Ons huis stond aan de Riouwstraat no. 66 vlakbij het Julianaplein.
We gingen ’s avonds wel eens naar de bioscoop met een stel jongelui, maar die bioscoop stond aan de rand van de wijk en we hebben wel eens binnen gezeten toen we hoorden schieten. Het was een hele angstige tijd.
Op een middag, toen we thee zaten te drinken op de galerij, kwamen er een paar Ambonezen langs, die wat meesleepten. Het was een pelopor, die ze hadden gearresteerd en dat ging er allemaal niet zo zachtzinnig aan toe.
Boven mijn bed sloeg een keer een kogel in; we vonden hem in mijn bed.
Naast ons zat een familie, een man met zijn vrouw. De vrouw had last van epileptische aanvallen. Als ze dat kreeg, sprong haar man boven op haar om haar in bedwang te houden.
Het gebeurde ook een keer toen hij met haar aan het wandelen was. Hij hield haar vast en sprong boven op haar. Onmiddellijk kwamen er militairen op hem af. Gelukkig kon hij het uitleggen.
Een keer stond ik met haar achter, bij de keuken af te wassen toen ze in de afvoergoot rolde. Ik sprong ook direct boven op haar. Dat vond ik een heldendaad van mezelf, want het was helemaal niet leuk. Uiteindelijk was ik nog maar veertien jaar. Gelukkig kwam haar man aangerend om het van me over te nemen. Ze was op zo’n moment heel sterk, hoewel ze heel tenger was.
Op een middag werd er geroepen: “Ze komen”. Dat is een moment geweest, dat ik het allerbangst was. Ik dacht onmiddellijk waar moet ik heen en het enige wat ik kon bedenken was de badkamer en die dan op slot doen, maar boven de deur waren spijltjes aangebracht dus het veilig zijn in de badkamer viel tegen als het er op aan kwam.
Gelukkig gebeurde er niets. Wellicht hebben ze de pelopors gepakt, dat weet ik niet meer, maar het was heel angstig.


Afbeelding:Vhdhnw17.png
Het tijdelijke huis aan de Riouwstraat no. 66 (foto 1985)


In die tijd in Bandoeng werd ik maar steeds niet ongesteld; ik zal wel klachten gehad hebben want ik moest naar een dokter, die mij heel gemene injecties gaf. Enige tijd later kwam het dan, heel hevig met heel veel pijn in mijn rug en het duurde al met al een dag of twaalf.
Leuk vooruitzicht voor de komende jaren, maar dat viel mee gelukkig.
Mijn Moeder werd nog een keer ongesteld en daarna niet meer, dat was dus de laatste keer.


We wilden naar Holland, hoewel we konden kiezen: Holland of Australië.
Bart en de rest van onze familie zat in Holland dus dat werd onze keus.
Al met al was de tijd in Bandoeng voor ons jongelui niet onplezierig geweest, ’s middags zwemmen en we kenden langzamerhand een hele boel jongens en meisjes; we trokken veel met elkaar op.
De jongen met het busje, die ons altijd naar het zwembad reed, zou ons naar het vliegveld brengen.
En zo gingen we naar Jakarta. Daar aangekomen kwamen we in een gebouw, dat het Rode Kruis had uitgezocht. Vier of vijf dagen zijn we daar gebleven en hebben wat rond gewandeld met elkaar.


En toen lag de Boissevain klaar om ons mee te nemen naar Holland. We gingen aan boord. Mijn Moeder en ik lagen in het onderste achterste ruim, tegen de schroefas aan.
Het voordeel was, dat we veel ruimte hadden want we waren de laatste, het nadeel was het lawaai van de schroef. In de andere verblijven lagen ze in hangmatten, die visgraatsgewijs waren opgehangen, zodat er meer mensen op de boot konden, vierduizend in totaal.
Wij lagen gewoon op de grond of op tafels , we waren wel wat gewend.
We hadden een leuk stel jongelui aan boord. Van dat stel heb ik nog een foto. Mijn Vader en Moeder heb ik de hele reis bijna niet gezien; we hadden het te druk met onze eigen gezellige bezigheden.
Op een gegeven moment ging er een naar de tandarts en wij allemaal mee. Toen dacht ik ineens aan die ene kies, die niets meer waard was. Even naar laten kijken. Hij keek even, pakte een tang en weg was de kies, uit het patrijspoort in zee gedumpt.
We voeren naar Attaka en daar gingen we aan land om kleren te halen, die hadden we niet meer en zeker niet voor Holland. Het gebeurde in twee ploegen, met een treintje werden we door de woestijn naar twee grote loodsen gebracht, die daar voor die gelegenheid waren neergezet. Het was gezellig en ons ploegje, dat bij de eerste groep zat, besloot om met de tweede groep pas terug te gaan.
Wat mij is bijgebleven van deze zeereis, is het standbeeld van….. ik weet het niet, (niet van F. de Lesseps, dat beeld stond in P. Said.) bij de ingang van het Suez kanaal. We hebben er even stil gelegen en toen we weer gingen varen, heel langzaam het kanaal in werd het avond en links waren cafés, rechts de woestijn. Af en toe liepen in de woestijn kamelen, dan zag je de silhouetten van de dieren onder die prachtige heldere sterrenhemel. Ik kan geen woorden bedenken om deze pracht te beschrijven, een Bijbels tafereel.


Afbeelding:Vhdhnw18.png
We hadden een leuk stel jongelui aan boord.
Thea staand 4e van links en
Henk gehurkt 3e van links (foto: voor loods in Attaka, mei 1946)


Toen we door het kanaal waren, stortten we ons in kou en wind. Het waaide zo hard, dat we aan dek tegen de wind konden leunen. Dat deden we natuurlijk en ik heb het geweten, ik werd verkouden later.
We hadden een dansavond, maar ik lag zeeziek beneden in het ruim; het schip ging verschrikkelijk te keer. Iemand van de groep kwam vragen of ik mee ging dansen. Dat kon ik niet weerstaan, dus ben ik overeind gekomen en gaan dansen. De zeeziekte verdween op slag. Ik veronderstel, omdat je er dan niet meer aan denkt. Met het dansen schoof je van de ene kant van de zaal naar de andere kant.
’s Morgens had ik uit een patrijspoort staan kijken, het ene moment was de zee een meter van je vandaan, het volgende ogenblik wel zes meter. Ik heb toen echt huizenhoge golven gezien.


Bijna op het einde van de reis, in het Kanaal, hoorden we plotseling een bel rinkelen en de motoren van het schip maakten een hele boel lawaai. Wat was er aan de hand? Er was een mijn gesignaleerd. Het schip moest ineens volle kracht achteruit. Dat was even schrikken, zou je op het laatste moment toch nog ten onder gaan. Het liep goed af.


We voeren de Nieuwe Waterweg op en wat ik zag, waren de hele kleine huisjes, althans dat dacht ik echt op dat ogenblik. Het was natuurlijk niet zo maar we waren die grote huizen, die ruim naast elkaar stonden, gewend en niet dat kneuterige.
Toen we afgemeerd aan de kade in Amsterdam lagen zagen we mijn broer Herman, die in Holland Bart werd genoemd, staan. Wat een weerzien!!! Nu was de familie bijna kompleet. George, de oudste broer zat nog in Singapore, die kwam later.


We werden allemaal ondergebracht in het huis van mijn Vader en zijn broer Jan. Toen zij samen naar Indië gingen, hadden ze dat gekocht in Drumpt en hadden hun vader en moeder met hun twee ongetrouwde dochters er gewoond. De ouders waren inmiddels overleden en het huis was groot, dus we konden er allemaal bij, zestien mensen sliepen er. Overal, op de overloop, in de vestibule zelfs, gezellig was het wel.
We hadden elkaar allemaal nog, dat kon niet iedereen zeggen.


Dit is het einde van mijn verhaal. Tot slot wil ik het gedicht opschrijven, dat mijn Moeder gemaakt heeft, toen we weg gingen uit Indië.



Afbeelding:Vhdhnw19.png





Kampen:


Malang 30-11-1942

Solo 05-12-1943

Boemikamp 10-10-1944

Moentilan 27-05-1945

Banjoebiroe 07-08-1945

Vrede 24-08-1945

Ambarawa 06-09-1945





Geschreven door Thea van Uden - Peters, oktober 2005, Bali